In de vroege kindertijd worden de fundamenten van zelfregulatie gelegd: zelfregulatie omvat complexe vaardigheden zoals impulscontrole en emotieregulatie, zelfsturing van gedachten en gedrag, planning, zelfredzaamheid en verantwoordelijk gedrag. Tegelijkertijd is de ontwikkeling van doen-alsof spel op zijn hoogtepunt tussen 2 en 6 jaar. Volgens Vygotsky is deze gelijktijdigheid geen toeval. Hij noemde doen-alsof spel de "leidende factor in ontwikkeling" en zag een sterke relatie met zelfregulatie.
Vygotsky's theorie benadrukt twee unieke kenmerken van doen-alsof spel die bijdragen aan de ontwikkeling van zelfregulatie. Ten eerste helpt dit type spel kinderen om hun innerlijke ideeën te onderscheiden van de concrete werkelijkheid, bijvoorbeeld door object-substitutie, waarbij een object – een blokje - wordt gebruikt alsof het iets anders voorstelt – een telefoon-. Hierdoor leren kinderen hun gedachten te vertrouwen in plaats van hun impulsen. Ten tweede volgen kinderen in hun doen-alsof spel de sociale regels die bij de verbeelde situatie horen, waardoor ze vrijwillig beperkingen aan hun eigen acties opleggen, zoals het verzorgen van een zieke pop.
Onderzoeksresultaten
Onderzoeken bevestigen de verbanden tussen doen-alsof spel en zelfregulatie. Krafft en Berk onderzochten bijvoorbeeld de relatie tussen doen-alsof spel en hardop tegen zichzelf praten. Dat laatste draagt bij aan zelfregulatie. Zij vergeleken 3- en 4 jarigen in een Montessori- en een traditionele voorschool, waarbij in het laatste programma doen-alsof spel werd aangemoedigd. Kinderen in de traditionele voorschool spraken vaker hardop tegen zichzelf, vooral tijdens doen-alsof spel, en gebruikten dit om denkbeeldige scenario’s te ontwikkelen en hun gedrag te sturen.
Daarnaast toonden drie andere onderzoeken aan dat er een verband is tussen doen-alsof spel en executieve functies, zoals inhibitie. Een vierde studie onder 51 3- en 4-jarigen vond dat kinderen met complexer doen-alsof spel vijf maanden later meer sociaal verantwoordelijk gedrag vertoonden, vooral bij impulsieve kinderen.
Conclusies
Hoewel het onderzoek naar de relatie tussen spel en zelfregulatie nog in de kinderschoenen staat en er nog onzekerheid is over de generaliseerbaarheid en causaliteit, wijst het geheel van studies op een betekenisvolle relatie tussen doen-alsof spel en zelfregulerende vaardigheden. De complexiteit en symboliek van doen-alsof spel biedt kinderen een context waarin zij hun activiteiten vrijwillig aan sociale regels ondergeschikt maken, wat op zichzelf zelfregulerend is. Een uitdaging bij het vaststellen van een causaal verband is dat doen-alsof spel moeilijk in een laboratorium kan worden bestudeerd zonder het spel te beïnvloeden.
De auteur adviseert om spel, vooral begeleid spel, een centrale plek te geven in de voor- en vroegschoolse educatie. Programma's die academische training hoger waarderen ten koste van spel, verminderen vaak de motivatie om te leren en de regulatie van aandacht en gedrag, vooral bij kinderen met een lage sociaaleconomische status. Juist deze kinderen hebben veel spel nodig om zelfregulerende vaardigheden te ontwikkelen.