WETENSCHAPPELIJKE BRON
Onderwerp: BSO | Publicatiedatum: 2021

Kern

Uit dit onderzoek bleek dat verschillende betrokkenen (kinderen, ouders, pedagogisch medewerkers en wetenschappers) dezelfde kwaliteitsaspecten van BSO belangrijk vinden:  een uitdagend aanbod van activiteiten en materialen;  veel keuzevrijheid voor kinderen: wat ze willen doen, met wie en wanneer;  een ruimte en inrichting die geschikt is voor kinderen van alle leeftijden;  pedagogisch medewerkers die kinderen van verschillende leeftijden kunnen begeleiden en stimuleren;  een goede samenwerking met partners in de omgeving, zoals basisscholen en sportverenigingen. Ook blijkt dat de aansluiting van de opleidingen op het werken op de BSO ten tijde van het onderzoek voor verbetering vatbaar was.

Tot voor kort werd aangenomen dat ouders hun kinderen bij voorkeur zelf na schooltijd willen opvangen. Vanuit dit oogpunt werden kinderen vooral als zielig gezien als zij naar de buitenschoolse opvang moesten vanwege hun werkende ouders. Inmiddels kan dit beeld – vanwege een grote toeloop van ouders – worden bijgesteld. Nederlandse ouders blijken toe aan efficiëntere dag-arrangementen en kinderen vinden het prettig om na schooltijd met liefst zoveel mogelijk andere kinderen te spelen.

Kinderen vinden het vooral belangrijk om vrij (buiten) te kunnen spelen, te kunnen kiezen wat zij willen doen en met wie zij dat doen. Daarnaast ontwikkelt zich de behoefte aan (enige) uitbreiding van het activiteitenaanbod, vooral waar het oudere kinderen (vanaf 9 jaar) betreft. Zij stellen prijs op hun autonomie en daarmee de mogelijkheid om zelfstandig en zonder direct toezicht van volwassenen dingen te ondernemen. Tegelijkertijd geldt dat zij steeds meer deelnemen aan sportclubs en andere buitenschoolse activiteiten. De start- en eindtijden van deze activiteiten zijn doorgaans niet afgestemd op de werktijden van ouders. Een nauwere samenwerking tussen de buitenschoolse opvang en de brede scholen – bijvoorbeeld op wijkniveau – biedt hiervoor goede mogelijkheden. Deze samenwerking kan ervoor dat opvangvoorzieningen en het activiteitenaanbod beter op elkaar worden afgestemd.

Verdere professionalisering

Met oog op de toekomst en een verdere professionalisering zijn kwaliteitscriteria voor de buitenschoolse opvang van belang. Die criteria hangen uiteraard samen met de gekozen doelstellingen en de doelgroepen van de opvang. De belangrijke kwaliteitscriteria komen voort uit de belangrijkste doelstelling van de buitenschoolse opvang: 'het bieden van ontspanning' aan de kinderen, naast het 'stimuleren van hun sociale ontwikkeling'. Het belang van deze doelstelling werd door de bevraagde groepen breed gedeeld. Buitenschoolse opvang is vrijetijdsbesteding voor kinderen, maar maakt tegelijkertijd ook deel uit van hun opvoeding. Buitenschoolse opvang moet hen uitdagen zich te ontwikkelen tot initiatiefrijke, zelfstandige en sociale jongeren. Dit vraagt om:

  • een uitdagend aanbod aan activiteiten en materialen én een vrije keuze voor kinderen in hoe en met wie ze daarmee omgaan. Kinderen vinden een van de belangrijkste aspecten van de buitenschoolse opvang dat je er altijd vrienden hebt om mee te spelen;
  • een ruimte en een inrichting die geschikt is voor de uiteenlopende populatie die de buitenschoolse opvang bezoekt: jonge kinderen, oudere kinderen en kinderen met speciale behoeften. Met name een goede buitenspeelruimte staat hoog op de prioriteitenlijst van de kinderen en alle andere betrokkenen. Ook de beschikbaarheid van meerdere ruimtes of hoeken –

Passend bij de verschillende behoeften en activiteiten – wordt als belangrijk gezien;

  • een helder pedagogisch beleid, aansluitend op de vier basisdoelen uit het kwaliteitsmodel van Riksen-Walraven. Deze basisdoelen zijn: a) het bieden van een gevoel van veiligheid, b) het bevorderen van persoonlijke competentie, c) het bevorderen van sociale competentie en d) socialisatie via het aanbieden van regels, normen en waarden en 'cultuur';
  • pedagogisch medewerkers die niet alleen zorgen voor continuïteit, maar die ook in staat zijn kinderen van verschillende leeftijdscategorieën en met verschillende interesses, achtergronden en behoeften, individueel in hun ontwikkeling te begeleiden door hen vrij te laten en – indien nodig – aan te zetten tot nieuwe activiteiten. Ook moeten medewerkers in staat zijn zelf activiteiten aan te bieden of te organiseren en groepsprocessen in goede banen weten te leiden. Met als doel: kinderen te leren op een positieve manier met elkaar om te gaan;
  • een teamsamenstelling waarin een mix aan kennis, ervaring en opleidingsniveaus is verenigd: a) om goed in te kunnen spelen op de diversiteit aan behoeften van de kinderen (van knus knutselen tot ‘wild’ voetballen), b) om de praktijk te professionaliseren (via 'coaching on the job' en inhoudelijk overleg over pedagogische uitgangspunten, bijvoorbeeld;
  • een goede samenwerking met de omgeving, zoals ouders, basisscholen en clubs. Een goede samenwerking met de omgeving zorgt ervoor dat het welzijn van de kinderen vanuit verschillende perspectieven goed gevolgd kan worden. Ook kan hierdoor een betere organisatorische stroomlijning ontstaan tussen alles wat aan de kinderen wordt aangeboden:

Een betere profilering

Uit de verbeterpunten die door alle groepen respondenten naar voren worden gebracht, komt eigenlijk steeds één kernpunt naar voren: het wordt tijd dat de buitenschoolse opvang – door iedereen – serieuzer wordt genomen. De buitenschoolse opvang zou zich vooral duidelijker moeten profileren op die gebieden waarin zij sterk is, of zou kunnen worden: vrije speelmogelijkheden, gecombineerd met een gewogen aanbod aan activiteiten op de niet-cognitieve gebieden, sociale ontwikkeling (het omgaan met anderen, met vrije tijd, met ruimte voor eigen initiatieven en zelfstandigheid) én beweging. Een betere profilering vraagt om verbeteringen op het gebied van:

a. De beschikbare (buiten)ruimte

Tijdens het onderzoek kwam regelmatig naar voren dat samenwerking tussen de buitenschoolse opvang, scholen, buurthuizen en andere organisaties nodig is. Die samenwerking biedt de mogelijkheid om gemeenschappelijk gebruik te maken van faciliteiten als (gym)lokalen, pleinen, sportvelden, aula's, enzovoorts.

b. De professionaliteit van de pedagogisch medewerkers

Een betere voorbereiding van pedagogisch medewerkers via de initiële beroepsopleiding wordt als noodzakelijk geacht, met name waar het pedagogiek en activiteitenbegeleiding van kinderen in de basisschoolleeftijd betreft. Ook hoog op het prioriteitenlijstje van veel respondenten staat een goede coaching on the job van diegenen die al werkzaam zijn in de beroepspraktijk. Dit laatste vraagt bijvoorbeeld om een goede team-samenstelling en een mix naar opleidingsniveau zodat er voldoende pedagogen aanwezig zijn die de deskundigheidsbevordering kunnen bevorderen.

c. Een meer leeftijd-gedifferentieerd aanbod aan buitenschoolse 'activiteiten'

De buitenschoolse opvang in Nederland kent een vrij groot leeftijdsbereik. Dit zorgt voor een ongelijkheid in behoeften, omdat de behoeften van de jongste groep (vier- en vijfjarigen) anders zijn dan die van de jonge pubers (tien jaar en ouder) die eveneens opgevangen worden. De jongste groep heeft vooral behoefte aan veiligheid, rust, spel en steun van de pedagogisch medewerkers. De oudere kinderen hebben meer behoefte aan een uitdagende omgeving, privacy en zelfstandigheid.

De buitenschoolse opvang lijkt zich momenteel vooral nog te richten op de wensen en behoeften van de jongste leeftijdsgroep (die overigens getalsmatig ook sterk in de meerderheid is). Hierdoor haken oudere kinderen nogal eens af. Dit heeft niet allen te maken met hun toenemende zelfstandigheid, maar ook met een gebrek aan voor hen boeiende activiteiten op de buitenschoolse opvang.

Daarom zou er binnen de buitenschoolse opvang meer aandacht en deskundigheid moeten komen voor de oudste leeftijdsgroep. In pedagogisch-organisatorisch opzicht zouden eventueel zelfs drie leeftijdsgroepen onderscheiden kunnen worden.

d. Een sterker imago en betere arbeidsvoorwaarden voor het beroep van pedagogisch medewerker

Ten tijde van het onderzoek was er sprake van een enorme groei aan belangstelling voor buitenschoolse opvang bij ouders. Tegelijkertijd was er sprake van een tekort aan voldoende gekwalificeerd personeel en een gering aantal mannelijke opvangkrachten. Bijstelling van het beroepsimago, expliciete aandacht voor buitenschoolse opvang in de opleidingen en betere arbeidsvoorwaarden en carrièremogelijkheden zouden kunnen bijdragen aan het oplossen van dit tekort. Pedagogisch medewerker in de buitenschoolse opvang is een uitdagend en serieus beroep.

Pedagogisch medewerkers, een opleidingsstructuur en professionalisering

De buitenschoolse opvang draait om pedagogisch medewerkers. Van hen wordt veel gevergd: inspelen op allerlei soorten kinderen, het begeleiden van groepen en van activiteiten op het gebied van sport en beweging, maar ook op creatief, technisch, muzikaal gebied, enzovoorts. Daarnaast moeten ze ruimte kunnen bieden aan initiatieven van de kinderen zelf. Bovendien moeten ze kinderen kunnen begeleiden in hun sociale ontwikkeling: hen leren op een positieve manier met elkaar om te gaan en zich te leren handhaven in een groep. Goed kunnen communiceren is dan ook een vereiste: niet alleen met de kinderen maar ook met ouders, leerkrachten en andere betrokkenen. Ook moeten zij problemen kunnen signaleren om ouders en kinderen eventueel door te kunnen verwijzen voor verdere hulp. Dit alles vraagt om goede voorbereiding op het vak van pedagogisch medewerker in de buitenschoolse opvang. Voorbereiding via de initiële opleiding, maar ook door deskundigheidsbevordering van degenen die al in de buitenschoolse opvang werken. Momenteel kiest men in de buitenschoolse opvang graag voor een opleidingenmix in de team-samenstelling. Het is dan ook relevant om verder onderzoek te doen: hoe kan de toeleiding naar de functie van pedagogisch medewerker via de opleidingen het best worden geregeld? Er zijn tenslotte pedagogisch medewerkers nodig op verschillende opleidingsniveaus en met verschillende vaardigheden in hun bagage. Pedagogisch medewerkers komen nu nog vanuit enorm diverse achtergronden op de buitenschoolse opvang terecht. Ook zijn de ontplooiingsmogelijkheden in het werk zelf maar heel gering. Daarom zou met name kunnen worden gedacht aan het ontwikkelen van een opleidingsstructuur in de sector 'pedagogiek, educatie en vrijetijdsbesteding’ van kinderen.

Bron
Originele titel: Chillen, skaten, gamen. Opvattingen over kwalitatief goede buitenschoolse opvang in Nederland.
Auteur: Marianne Boogaard, Ruben Fukkink en Charles Felix
Publicatiedatum bron: 2008
Zoeken via kernwoorden

Chillen, skaten, gamen. Opvattingen over kwalitatief goede buitenschoolse opvang in Nederland.
Marianne Boogaard, Ruben Fukkink en Charles Felix | 2008

Schoolkinderen en hun opvang. Wat leren ze ons over kwaliteit?
Brecht Peleman, Caroline Boudry, Lieve Bradt, Tineke Van de Walle en Michel Vandenbroeck | 2014

Pedagogical quality of after-school care: Relaxation and/or enrichment?
Ruben Fukkink en Marianne Boogaard | 2020

Grip op pedagogische kwaliteit
Annette Wiesman | 2018

Measuring interaction skills of caregivers in child care centers: Development and validation of the Caregiver Interaction Profile Scales
Katrien Helmerhorst, Marianne Riksen-Walraven, Harriet Vermeer, Ruben Fukkink en Louis Tavecchio | 2014

“Kijk eens wat ik kan!” Sociale praktijken in de interactie tussen kinderen van 4 tot 8 jaar in de buitenschoolse opvang
Nynke van der Schaaf | 2016

How to Play without Toys? A Playwork Experimentation in Paris
Baptiste Besse-Patin | 2018

Pedagogical quality of after-school care: Relaxation and/or enrichment?
Ruben Fukkink en Marianne Boogaard | 2020

Autonomy, Fairness and Active Relationships: Children’s Experiences of Well-being in Childcare
Emma Cooke, Michelle Brady, Cheryll Alipio en Kay Cook | 2019

Pedagogical tact. Knowing what to do when you don’t know what to do
Max van Manen | 2014/2015

A professionalisation programme towards children’s risk-taking in play in childcare contexts: moral friction on developing attitudes and collegial expectations
Martin van Rooijen en Gaby Jacobs | 2019

Tijd voor pedagogiek: Over de pedagogische paragraaf in onderwijs, opleiding en vorming
Gert Biesta | 2015

The “what” and “why” of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior
Edward L. Deci en Richard M. Ryan | 2000

Executive functioning and school adjustment: The mediational role of pre-kindergarten learning-related behaviors
Tyler R. Sasser, Karen L. Bierman en Brenda Heinrichs | 2015

Activity settings and daily routines in preschool classrooms: Diverse experiences in early learning settings for low-income children
Allison Sidle Fuligni, Carollee Howes, Yiching Huang, Sandra Soliday Hong en Sandraluz Lara-Cinisomo | 2012

Activity settings in toddler classrooms and quality of group and individual interactions
Carolina Guedes, Joana Cadima, Teresa Aguiar, Cecília Aguiar en Clara Barata | 2020

From External Regulation to Self-Regulation: Early Parenting Precursors of Young Children's Executive Functioning
Annie Bernier, Stephanie M. Carlson en Natasha Whipple | 2011

De 1e 1000 dagen: het versterken van de vroege ontwikkeling. Een literatuurverkenning ten behoeve van gemeenten
Symone Detmar en Marianne de Wolff | 2019

How to support toddlers’ autonomy: A qualitative study with child care educators
Marilena Côté-Lecaldare, Mireille Joussemet en Sarah Dufour | 2016

Proefschrift: Exploring childcare spaces. Young children’s exploration of the indoor play space in center-based childcare
Ine van Liempd | 2018

General comment No. 17 on the right of the child to rest, leisure, play, recreational activities, cultural life and the arts
UN Committee on the Rights of the Child | 2013

Ontwikkelingen in de kwaliteit van de Nederlandse kinderdagopvang, peuteropvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang op basis van de gecombineerde metingen 2017 -2019
Pauline Slot, IJsbrand Jepma, Paulien Muller, Bodine Romijn, Celeste Bekkering en Paul Leseman | 2019

Overview of European ECEC curricula and curriculum template
Kathy Sylva, Katharina Ereky-Stevens en Ana-Maria Aricescu | 2015

European Framework of Quality and Wellbeing Indicators
Thomas Moser, Paul Leseman, Edward Melhuish, Martine Broekhuizen en Pauline Slot | 2017

Welbevinden en betrokkenheid als toetsstenen voor kwaliteit in de kinderopvang. Implicaties voor het monitoren van kwaliteit
Ferre Laevers | 2016

Child care quality in the Netherlands: From quality assessment to intervention (proefschrift)
Katrien Helmerhorst | 2014

Early childhood education and care in the Netherlands. Quality, curriculum, and relations with child development
Pauline Slot | 2014

Kwaliteit van babyopvang. Een literatuurstudie
Harriet Vermeer & Marleen Groeneveld | 2017

Pedagogische kwaliteit in de kinderopvang: Doelstellingen en kwaliteitscriteria
Marianne Riksen-Walraven | 2004

Tijd voor kwaliteit in de kinderopvang
Marianne Riksen-Walraven | 2000

Expertisecentrum Kinderopvang werkt samen met de sector in het belang van het zich ontwikkelende kind.

Dus doe mee en investeer mee!

Voor de brede ontwikkeling
van kind én branche

JA, ik doe mee! meer info over het investeren

investeren in kinderopvang