WETENSCHAPPELIJKE BRON
Onderwerp: Onderlinge interacties | Publicatiedatum: 2020

Kern

In haar proefschrift beschrijft Van der Schaaf gedetailleerd hoe kinderen (4-8 jaar) veelvoorkomende alledaagse sociale gespreksactiviteiten, zoals entreeonderhandelingen, conflictgesprekken en regelonderhandelingen in heterogene groepen in de BSO realiseren. In deze uitwerking richten we ons op conflictgesprekken tussen kinderen (met en zonder de pedagogisch medewerker), die ze typeert als een gespreksactiviteit tussen twee of meer kinderen, waarbinnen tenminste één kind in opstand komt tegen iets wat een ander kind zegt of doet. Ze demonstreert dat de reactie van een kind op die opstand bepalend is voor het gespreksverloop en kan resulteren in ruzies die stoppen, of langer (en vaak heftiger) doorgaan. Wat betreft de rol van pedagogisch medewerker onderscheidt ze vier verschillende rollen: een preventieve, een ordebewakende, een instructieve en een procesbegeleidende rol. Voornamelijk de laatste rol, waarin pedagogisch medewerkers kinderen oriënteren op elkaars (interactionele) bijdrage lijken positieve aanwijzingen te bevatten voor het begeleiden door pedagogisch medewerkers tijdens conflictgesprekken.

Van der Schaaf laat zien dat de sociale competentie van kinderen tussen de vier en acht jaar in de bso bestaat uit een heel scala aan sociale gespreksactiviteiten die die ze samen realiseren. In haar proefschrift focust Van der Schaaf op hun entreeonderhandelingen (momenten waarop kinderen onderhandelen over deelname aan activiteiten), conflictgesprekken en regelonderhandelingen, waarbinnen zij samen een lokale sociale orde realiseren. Daarin wisselen ze voortdurend van rol van expert en nieuweling. Die rol is afhankelijk van hun ervaring met de betreffende activiteit, ervaring die niet altijd aan leeftijd gekoppeld is. De praktijken van kinderen in zulke gesprekken zijn bovendien regelmatig anders dan die van volwassenen. Kennis van de praktijken van kinderen kan pedagogisch medewerkers helpen in het begeleiden van onderlinge interactie tijdens die activiteiten.

Omdat conflictgesprekken op alle momenten van de dag kunnen voorkomen en ze een sterke relatie hebben met de sociale ontwikkeling van kinderen, richten we ons in deze uitwerking alleen op hoofdstuk 4 uit het proefschrift, waarin Van der Schaaf gedetailleerd beschrijft hoe kinderen conflictgesprekken realiseren met elkaar en met de begeleidende pedagogisch medewerker, zoals we hieronder uitvoeriger bespreken.

 Conflictgesprekken tussen kinderen

Een conflictgesprek kan in allerlei activiteiten voorkomen en kan gaan over regels, spelorganisatie en –inhoud, bezit van objecten, fysiek storend gedrag en buitensluiting. Een conflictgesprek start altijd wanneer een kind in opstand komt tegen iets wat een ander kind doet of zegt. Daarmee wordt duidelijk dat het kind het handelen van de ander als normoverschrijdend ervaart.

Er zijn twee typen conflictgesprekken, afhankelijk van het vervolg van het gesprek. Allereerst zijn er remediërende conflicten, waarin het ontstane conflict (eventueel na een argument) direct wordt opgelost doordat één van de kinderen instemt met het standpunt van de ander. Ten tweede zijn er persisterende conflictgesprekken. Dit zijn gesprekken waarin het conflict langdurig doorgaat doordat kinderen hun standpunt vasthouden, tegen elkaars standpunt ingaan en argumenten geven voor de eigen positie en tegen de positie van de ander. Wanneer kinderen dit op een subtiele, zachte manier doen ontwikkelt de activiteit waar kinderen mee bezig zijn zich verder. Dit zijn voortsudderende persisterende conflicten. Wanneer kinderen hun onenigheid op een luide en directe wijze uiten, stopt de voortgang van de activiteit totdat het conflict wordt beëindigd. Dit zijn escalerende persisterende conflicten.

Rol van pedagogisch medewerker

Mede doordat kinderen worden gezien als beste oplossers van eigen conflicten wordt pedagogisch medewerkers over het algemeen aanbevolen niet direct te reageren op wat zij denken te zien. Op basis van een verkennende Australische studie lijkt het erop dat een neutrale positie en kinderen begeleiden in het voeren van het gesprek om het conflict op te lossen goede gesprekspraktijken voor de pedagogisch medewerker zijn. Omdat er desondanks weinig onderzoek gedaan is naar de begeleidende rol van de pedagogisch medewerker wanneer kinderen ruzie hebben, is in deze studie hier ook naar gekeken.

In remediërende conflicten blijken pedagogisch medewerkers regelmatig in te grijpen nog voordat er een conflict tussen kinderen is. Pedagogisch medewerkers blijken enerzijds preventief door kinderen te corrigeren en te instrueren voordat een ander kind in opstand komt. Anderzijds zijn ze ordebewakend door een eventuele negatieve reactie tegen de opstand te overrulen en te corrigeren. In beide gevallen verwijzen ze vaak naar morele regels en oriënteren ze kinderen op het (in hun ogen) juiste gedrag.

In persisterende conflicten blijken pedagogisch medewerkers in te grijpen na (1) een luide opstand, (2) een verzoek tot interventie, (3) het huilen door een van de kinderen. In het laatste geval blijken pedagogisch medewerkers partij te kiezen voor het kind dat in opstand kwam tegen het andere kind. Dit blijkt regelmatig tot escalatie van het conflict te leiden. In de eerste twee gevallen, geeft de pedagogisch medewerker vaak redenen en instructie aan de kinderen, maar gaat het conflict meestal verder nadat de pedagogisch medewerker het gesprek verlaat. Hoewel de instructieve rol dus veelal leidt tot een tijdelijke oplossing, kan de instructie ook geaccepteerd worden door de kinderen en is het conflict wel beëindigd. Daarnaast kan de pedagogisch medewerker ook ordebewakend zijn, door een kind te verwijderen, maar dit is tijdelijk van aard. Ten slotte blijken pedagogisch medewerkers ook procesbewakend te handelen. In deze gevallen nodigt de pedagogisch medewerker de kinderen uit het probleem te verkennen, standpunten uit te leggen en oplossingen voor te stellen. 

De bevindingen suggereren inderdaad dat een pedagogisch medewerker terughoudend zou moeten optreden om te interveniëren wanneer kinderen een conflictgesprek hebben. Meer inzicht in de manieren waarop kinderen zelf conflicten realiseren en oplossen kan daarbij in eerste instantie helpen. Wanneer pedagogisch medewerkers wel interveniëren zouden ze daarnaast vooral een onafhankelijke, coachende en procesbewakende rol moeten innemen. Dit kan namelijk leiden tot een gezamenlijke conflictbeëindiging van de kinderen.