WETENSCHAPPELIJKE BRON
Onderwerp: Algemeen | Publicatiedatum: 2023

Kern

Deze studie is onderdeel van een Nederlands promotieonderzoek naar hoe concepten van kinderrechten en democratisch burgerschap bij jonge kinderen vormgegeven kunnen worden. Deze studie vond plaats in een zogenaamd Child Voices project, waarin jonge kinderen hun eigen ideeën mogen verwoorden en verbeelden over thema’s als identiteit, inclusie, diversiteit en participatie. Het doel was om, bezien vanuit het kindperspectief, te begrijpen welke aspecten voor kinderen belangrijk zijn als het gaat om hun welzijn in voorzieningen voor kinderopvang. Onderzochte thema’s waren: hoe kijken kinderen zelf tegen hun persoonlijke en sociaal-culturele identiteit aan? Hoe belangrijk is de sociaal-fysieke ruimte voor hun welbevinden en het gevoel erbij te horen? Hoe zien ze hun eigen rol als het gaat om participatie en identiteit? Kunnen jonge kinderen (3-6 jaar) daadwerkelijk een stem geven aan hun wensen en behoeften? En hoe zou je dat als kinderopvang kunnen faciliteren?

In deze studie heeft de onderzoeker verkend hoe jonge kinderen in kindercentra zelf een op kinderrechten en burgerschapsprincipes gebaseerde pedagogiek ervaren en wat zij daarin belangrijk vonden. Dit gebeurde door middel van een diepte-onderzoek onder 36 kinderen van 3 tot 6 jaar in drie centra voor dagopvang en buitenschoolse opvang in een cultureel diverse grootstedelijke omgeving in Nederland. De informatie voor het diepte-onderzoek werd verzameld door rondleidingen in het kindercentrum door kinderen zelf, het maken van foto’s door kinderen en het inventariseren van activiteiten en plekken die kinderen wel of niet leuk vonden. Deze informatie diende als input voor gesprekken met de kinderen over hun identiteit, welbevinden, het gevoel ‘erbij te horen’, en de omgang met nieuwe kinderen. Het bleek dat kinderen, ook op jonge leeftijd, waardevolle en relevante informatie kunnen geven rond thema’s als identiteit, erbij horen en welbevinden. Hun welbevinden en het gevoel erbij te horen hing samen met het feit dat ze continuïteit ervoeren tussen thuis, kinderopvang en school, die voor hen op natuurlijke wijze in elkaar overlopen.

Uit gesprekken met de kinderen bleek de sociaal-fysieke ruimte van de groep waartoe zij behoorden van groot belang. Zo gaven kinderen aan dat de vrijheid om door de ruimte van het kindercentrum te kunnen navigeren en zelf te kunnen kiezen met wie, en waar, zij zouden spelen (deel van het opendeurenbeleid van het kindercentrum) en een zekere mate van flexibiliteit van het dagprogramma belangrijk was voor hun welbevinden. Met betrekking tot de eigen identiteit, gaven kinderen aan dat een eigen mandje met hun naam erop, met persoonlijke spullen die ze van thuis hebben meegenomen, belangrijk is. Zo’n eigen mandje of vakje zou volgens de onderzoeker een centrale(re) plaats mogen krijgen, om de eigen identiteit van het kind te markeren in de grotere context van een gemeenschappelijke groepsruimte. Het hebben van een eigen knuffel waarmee je kunt knuffelen als je troost zoekt, werd door kinderen ook belangrijk gevonden. Het kunnen ‘meewerken’ aan het onderzoek is een vorm van participatie die niet alleen veel informatie geeft over wat voor kinderen in de omgeving belangrijk is. Meedoen aan het onderzoek werd bovendien door kinderen als heel waardevol ervaren. Kinderen ervoeren tijdens het onderzoeksproces dat ze ertoe doen: ze konden laten zien wat zij belangrijk vinden, er werd naar hen geluisterd en ze werkten samen aan een project (het onderzoek).

Eijkholt, C. B. (2022). Children’s rights and citizenship: A perspective for inclusive and democratic education and care for young children (pp. 95 -130) [Doctoral dissertation, University Utrecht].