WETENSCHAPPELIJKE BRON
Onderwerp: Pedagogische kwaliteit in een verticale groep | Publicatiedatum: 2021

Kern

In dit onderzoek is de ontwikkeling van 59 kinderen in een Amerikaanse kinderopvang gedurende 4 jaar gevolgd. De kinderen waren random geplaatst in een horizontale of verticale groep en hun ontwikkeling werd iedere 6 maanden in kaart gebracht. De resultaten laten zien dat in de jongere jaren, tot circa 2 jaar, er geen verschil was in ontwikkelingsniveau tussen kinderen in de twee type groepen. Tussen 2 jaar en bijna 4 jaar was de ontwikkeling van kinderen in de verticale groepen op de meeste ontwikkelingsdomeinen iets beter. Echter, bij de oudste kinderen (bijna 4 jaar en ouder) was de ontwikkeling van de kinderen in de horizontale groepen alweer iets beter dan van de kinderen in de verticale groepen. De uitkomsten suggereren dat een verticale groep voordelig is voor de tussengroep (dreumesen en jonge peuters) en een horizontale groep voordelig is voor de oudere peuters.

De schrijvers beginnen deze paper met een kort overzicht van oudere literatuur over de voor en nadelen van gemengde leeftijdsgroepen. Uit de literatuur komt vrij consistent naar voren dat een gemengde groep voor jongere kinderen vooral voordelen heeft. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat oudere kinderen dan fungeren als ‘tutor’ of rolmodel. Jongere kinderen in verticale groepen leren bijvoorbeeld eerder complexere spelletjes te spelen en routines te volgen. Ook lijkt het dat ze door het spelen met oudere kinderen ze meer geavanceerde sociale vaardigheden leren. Aan de andere kant moet er opgemerkt worden dat er ook studies zijn die aantoonden dat de bijdrage van de jonge kinderen in complexe activiteiten beperkter is als ze in een gemengde leeftijdsgroep zitten.

Uit het literatuuroverzicht blijkt dat er voor oudere kinderen vooral nadelen lijken te zijn verbonden aan verticale groepen. Vergeleken met kinderen in horizontale groepen, nemen ze minder deel aan positieve sociale interacties en spelen ze vaker alleen. Deze kinderen bleken ook hun communicatiestijl aan te passen aan de jongere kinderen in de groep. Dit is misschien een teken van sociale vaardigheden, maar is niet per se bevorderlijk voor de taalontwikkeling.

Deze longitudinale studie keek naar de effecten van de groep op ontwikkeling over tijd. De auteurs verwachtten dat de verticale groep voordelen zou hebben voor de jongere kinderen op meerdere domeinen. 59 kinderen werden gevolgd van 1986 tot 1990. Alle kinderen zaten op een kinderopvang en werden random ingedeeld in een verticale of horizontale groep. Ze zaten tenminste 1 jaar in deze groep voordat ze doorstroomden naar de kleuterschool. De leeftijd bij aanvang was 21 tot 67 maanden (dus 1;9 tot 5;7 jaar). Wat betreft achtergrond was het een divers samengestelde groep.

In een horizontale groep was het verschil in leeftijd tussen de kinderen maximaal 12 maanden. In een verticale groep was het verschil in leeftijd gemiddeld 2 jaar. Specifiek waren er verticale groepen van kinderen van 1 en 3 jaar en groepen van kinderen van 2 en 4 jaar. Horizontale groepen bestonden uit een vaste groep kinderen gedurende de hele studie. Verticale groepen bestonden minimaal twee jaar uit een vaste groep kinderen, omdat de oudste kinderen dan uitstroomden naar de kleuterschool. In beide type groepen vond uitstroom altijd plaats in het najaar, waardoor veel kinderen al ouder dan 5 jaar waren op het moment van uitstromen. De onderzoekers hebben de ontwikkeling van de kinderen tot het uitstromen iedere zes maanden gemeten met een brede schaal (de Battelle Developmental Inventory).

De uitkomsten laten zien dat voor bijna alle onderzochte domeinen (motoriek, communicatie, cognitief en algemene ontwikkeling) kinderen uit de twee soorten groepen een iets ander ontwikkelingsverloop laten zien . De kinderen in de horizontale groepen lopen een lineair pad en de kinderen in de verticale groep lopen een non-lineair pad. Dit houdt in dat er in de jonge jaren tot ca. 2 jaar geen verschil is gevonden tussen de twee groepen. Tussen 2 en 4 jaar doen kinderen in verticale groepen het iets beter, maar rond 4 jaar, doen kinderen in horizontale groepen het beter. Dit suggereert dat een verticale groep voordelen heeft voor de ‘tussengroep’ (tussen 2 en bijna 4) maar dat de horizontale groep beter uitpakt voor de oudere kinderen. In tegenstelling tot deze uitkomsten, werden er kleine verschillen gevonden in de jongere jaren als er specifiek werd gekeken naar de ontwikkeling van persoonlijke sociale vaardigheden en het uitvoeren van dagelijkse taken zoals zelfstandig aankleden. Kinderen in de verticale groepen scoorden iets beter op deze domeinen maar de verschillen werden steeds kleiner en verdwenen tegen de tijd dat de kinderen naar de kleuterschool gingen.

De uitkomsten zijn dus in lijn met de verwachtingen die de onderzoekers van tevoren hadden. Als verklaring voor de gevonden verschillen wijzen de auteurs op vier punten:

- veranderingen in de fysieke omgeving;

- de aard van de activiteiten;

- het gegeven dat oudere kinderen rolmodel kunnen zijn voor de jongere kinderen;

- het verschil in spelniveau.

Bailey Jr, D. B., Burchinal, M. R., & McWilliam, R. A. (1993). Age of peers and early childhood development. Child Development, 64(3), 848-862.

 

Bron
Originele titel: Age of Peers and Early Childhood Development.
Auteur: Donald B. Bailey, Jr., Margaret R. Burchinal en R. A. McWilliam
Publicatiedatum bron: 1993
Zoeken via kernwoorden

Kwaliteit van de babyopvang in Nederland: Gecombineerde metingen 2017-2019
Pauline Slot, IJsbrand Jepma, Paulien Muller, Bodine Romijn, Celeste Bekkering en Paul Leseman | 2020

Child Care Quality in The Netherlands Over the Years: A Closer Look
Katrien O. W. Helmerhorst, J. Marianne A. Riksen-Walraven, Mirjam J. J. M. Gevers Deynoot-Schaub, Louis W. C. Tavecchio en Ruben G. Fukkink | 2015

The impact of childcare-group situational age composition on caregiver-child interactions
Tatiana Diebold & Sonja Perren | 2020

Effects of the Caregiver Interaction Profile Training on Caregiver–Child Interactions in Dutch Child Care Centers: A Randomized Controlled Trial
Katrien O. W. Helmerhorst, J. Marianne A. Riksen-Walraven, Ruben G. Fukkink, Louis W. C. Tavecchio, Mirjam J. J. M. Gevers Deynoot-Schaub | 2017

Chillen, skaten, gamen. Opvattingen over kwalitatief goede buitenschoolse opvang in Nederland.
Marianne Boogaard, Ruben Fukkink en Charles Felix | 2008

Schoolkinderen en hun opvang. Wat leren ze ons over kwaliteit?
Brecht Peleman, Caroline Boudry, Lieve Bradt, Tineke Van de Walle en Michel Vandenbroeck | 2014

Pedagogical quality of after-school care: Relaxation and/or enrichment?
Ruben Fukkink en Marianne Boogaard | 2020

Grip op pedagogische kwaliteit
Annette Wiesman | 2018

Measuring interaction skills of caregivers in child care centers: Development and validation of the Caregiver Interaction Profile Scales
Katrien Helmerhorst, Marianne Riksen-Walraven, Harriet Vermeer, Ruben Fukkink en Louis Tavecchio | 2014

“Kijk eens wat ik kan!” Sociale praktijken in de interactie tussen kinderen van 4 tot 8 jaar in de buitenschoolse opvang
Nynke van der Schaaf | 2016

How to Play without Toys? A Playwork Experimentation in Paris
Baptiste Besse-Patin | 2018

Pedagogical quality of after-school care: Relaxation and/or enrichment?
Ruben Fukkink en Marianne Boogaard | 2020

Autonomy, Fairness and Active Relationships: Children’s Experiences of Well-being in Childcare
Emma Cooke, Michelle Brady, Cheryll Alipio en Kay Cook | 2019

Pedagogical tact. Knowing what to do when you don’t know what to do
Max van Manen | 2014/2015

A professionalisation programme towards children’s risk-taking in play in childcare contexts: moral friction on developing attitudes and collegial expectations
Martin van Rooijen en Gaby Jacobs | 2019

Tijd voor pedagogiek: Over de pedagogische paragraaf in onderwijs, opleiding en vorming
Gert Biesta | 2015

The “what” and “why” of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior
Edward L. Deci en Richard M. Ryan | 2000

Executive functioning and school adjustment: The mediational role of pre-kindergarten learning-related behaviors
Tyler R. Sasser, Karen L. Bierman en Brenda Heinrichs | 2015

Activity settings and daily routines in preschool classrooms: Diverse experiences in early learning settings for low-income children
Allison Sidle Fuligni, Carollee Howes, Yiching Huang, Sandra Soliday Hong en Sandraluz Lara-Cinisomo | 2012

Activity settings in toddler classrooms and quality of group and individual interactions
Carolina Guedes, Joana Cadima, Teresa Aguiar, Cecília Aguiar en Clara Barata | 2020

From External Regulation to Self-Regulation: Early Parenting Precursors of Young Children's Executive Functioning
Annie Bernier, Stephanie M. Carlson en Natasha Whipple | 2011

De 1e 1000 dagen: het versterken van de vroege ontwikkeling. Een literatuurverkenning ten behoeve van gemeenten
Symone Detmar en Marianne de Wolff | 2019

How to support toddlers’ autonomy: A qualitative study with child care educators
Marilena Côté-Lecaldare, Mireille Joussemet en Sarah Dufour | 2016

Proefschrift: Exploring childcare spaces. Young children’s exploration of the indoor play space in center-based childcare
Ine van Liempd | 2018

General comment No. 17 on the right of the child to rest, leisure, play, recreational activities, cultural life and the arts
UN Committee on the Rights of the Child | 2013

Ontwikkelingen in de kwaliteit van de Nederlandse kinderdagopvang, peuteropvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang op basis van de gecombineerde metingen 2017 -2019
Pauline Slot, IJsbrand Jepma, Paulien Muller, Bodine Romijn, Celeste Bekkering en Paul Leseman | 2019

Overview of European ECEC curricula and curriculum template
Kathy Sylva, Katharina Ereky-Stevens en Ana-Maria Aricescu | 2015

European Framework of Quality and Wellbeing Indicators
Thomas Moser, Paul Leseman, Edward Melhuish, Martine Broekhuizen en Pauline Slot | 2017

Welbevinden en betrokkenheid als toetsstenen voor kwaliteit in de kinderopvang. Implicaties voor het monitoren van kwaliteit
Ferre Laevers | 2016

Child care quality in the Netherlands: From quality assessment to intervention (proefschrift)
Katrien Helmerhorst | 2014

Early childhood education and care in the Netherlands. Quality, curriculum, and relations with child development
Pauline Slot | 2014

Kwaliteit van babyopvang. Een literatuurstudie
Harriet Vermeer & Marleen Groeneveld | 2017

Pedagogische kwaliteit in de kinderopvang: Doelstellingen en kwaliteitscriteria
Marianne Riksen-Walraven | 2004

Tijd voor kwaliteit in de kinderopvang
Marianne Riksen-Walraven | 2000

Expertisecentrum Kinderopvang werkt samen met de sector in het belang van het zich ontwikkelende kind.

Dus doe mee en investeer mee!

Voor de brede ontwikkeling
van kind én branche

JA, ik doe mee! meer info over het investeren

investeren in kinderopvang