WETENSCHAPPELIJKE BRON
Onderwerp: BSO | Publicatiedatum: 2021

Kern

In dit Vlaamse onderzoek werden de ervaringen van kinderen met schoolkinderopvang in kaart gebracht. Uit het onderzoek blijkt dat kinderen het belangrijk vinden dat ze zelf kunnen kiezen hoe ze hun vrije tijd invullen, dat ze activiteiten kunnen ontplooien die ze nergens anders kunnen ontplooien, dat ze onder vrienden zijn, dat ze iets opsteken en dat ze het gevoel hebben er te mogen zijn. Van begeleiders verwachten ze dat die zowel een zorgfunctie als een spelfunctie vervullen; ze verwachten minimaal dat begeleiders aanwezig zijn en aandacht hebben voor de kinderen in de opvang. Daarnaast verwachten ze een gedifferentieerd aanbod met een afwisseling tussen vrij spel en georganiseerde activiteiten. Activiteiten op maat, met een zekere uitdaging. Een aandachtspunt is dat kinderen zich niet snel negatief uitlaten over hun ervaringen. Dit betekent dat je als organisatie actief op zoek moet naar de veelheid aan betekenissen die kinderen toekennen aan de opvang.

Gedurende het onderzoek kwamen de kinderen zelf aan het woord door middel van een mixed methods aanpak: een combinatie van kwalitatieve interviews en een kwantitatieve vragenlijst.

Kwalitatief onderzoek: interviews

Het eerste deel van het onderzoek bestond uit interviews met 34 kleuters en 42 lagere schoolkinderen. Aan de kinderen werd gevraagd hoe zij hun tijd doorbrengen in de opvangvoorziening. Wie ontmoeten ze daar? Wat vinden ze leuk en niet leuk, belangrijk en onbelangrijk? In de steekproef werd gestreefd naar maximale diversiteit voor wat betreft leeftijd, geslacht, SES, achtergrond, regionale spreiding in Vlaanderen en opvangsoorten (drie IBO’s, drie schoolopvangvoorzieningen, drie speelpleinen, een BOKDV, een onthaalouder die buitenschoolse opvang aanbiedt en een lokale dienst voor buurtgerichte opvang). Voor kleuters en lagere schoolkinderen werden verschillende onderzoekstechnieken gebruikt. Voor kleuters maakten de onderzoekers gebruik van de Mozaïek methode, een onderzoeks-benadering die verbale en visuele instrumenten samenbrengt. De lagere schoolkinderen werden individueel bevraagd in interviews van zo’n 50 minuten.

Uit het kwalitatieve onderzoek blijkt dat schoolkinderopvang voor kinderen een verruiming van hun leefwereld en ervaringen kan betekenen. Toch geldt dit niet altijd en niet voor elk kind. Wat kinderen in de eerste plaats belangrijk vinden is dat ze in de opvang samen met hun vrienden kunnen zijn. Omgang met vrienden is voor de meeste kinderen het belangrijkste element om een leuke tijd te maken van de opvang. Daarnaast waarderen ze het gestimuleerd te worden om meer met andere kinderen samen te spelen. Ook vinden ze het belangrijk dat ze zelf kunnen bepalen hoe ze hun tijd invullen. Zo blijken ze het liefst vrij binnen en vooral buiten te spelen. Ook hechten ze aan de afwisseling daarvan met begeleide activiteiten, mits die (leer-)rijk en op maat zijn en als die een verruiming betekenen van hun spelmogelijkheden. Ze tonen bijzondere waardering voor een uitdagend aanbod dat ze nergens anders tegenkomen. Als laatste willen – met name de oudere – kinderen in de opvang graag een plek voor zichzelf, waar ze zich in alle rust kunnen terugtrekken, alleen, of met leeftijdsgenoten. Zo’n plek geeft ze het gevoel dat ze zich in de kinderopvang meer welkom voelen.

Van hun begeleiders verwachten kinderen dat die zowel een zorgfunctie als een spelfunctie op zich nemen. Ze vinden dat hun begeleiders minimaal en met aandacht voor alle kinderen aanwezig moeten zijn, maar verwachten ook dat begeleiders hun ervaringen in de opvang verruimen middels een gevarieerd aanbod, met afwisseling tussen vrij spel en begeleide activiteiten.

Ook is het gewenst dat begeleiders differentiëren tussen aandacht voor het individuele kind en aandacht voor de hele groep. Bij conflictsituaties verwachten kinderen dat hun begeleiders rechtvaardig omgaan met wat zich voordoet. ‘Goede begeleiders’ worden met name gezien als een ankerpunt: zij zijn actief aanwezig, helpen bij het maken van keuzes en ondersteunen bij het vormgeven van de opvangtijd.

Wat lagereschoolkinderen vinden, komt in grote lijnen overeen met de mening van kleuters. Wel zien kleuters de rol van begeleiders anders. Kleuters vinden het belangrijk dat begeleiders ook lief en zacht zijn en dat ook fysiek uiten (bijvoorbeeld met knuffelen).

Kwantitatief onderzoek: vragenlijst

In het tweede deel van het onderzoek werden de belangrijkste verwachtingen en uitkomsten uit het kwalitatieve onderzoek via een vragenlijst voorgelegd aan 438 lagere schoolkinderen. Zo gingen de onderzoekers na of de bevindingen uit het kwalitatieve onderzoek voorkomen in een grotere groep en of er hierbij variatie is tussen kinderen en tussen de verschillende opvangvormen.

Voor de vragenlijst werden 24 opvangplekken geselecteerd (6 IBO’s, 12 speelpleinen en 6 scholen).

Hoewel de meeste kinderen hun opvang een heel hoog rapportcijfer geven, is een meerderheid van hen liever elders en mist tot een derde van hen zaken die ze in de opvang essentieel vinden, zoals meerdere speelruimtes binnen en begeleiders die je troosten en ervoor zorgen dat er niet wordt gepest. Opvangplekken waar meer pedagogisch gekwalificeerde begeleiders zijn en minder kinderen per begeleider, zorgen voor meer positieve ervaringen bij de ondervraagde kinderen. Een andere belangrijk gegeven is, dat de oudste kinderen vaker minder positieve ervaringen hebben op het gebied van (minder) activiteiten, meespelende begeleiders en de manier waarop ze worden aangesproken (hard roepen).

Kinderen vinden de ruimte belangrijk, binnen willen ze kunnen spelen in verschillende ruimtes, maar willen ze vooral ook rust. Een vierde van hen ervaart dit echter niet. Buiten willen kinderen zich kunnen uitleven op verschillende speeltoestellen en willen ze verstopplekken om zich te kunnen onttrekken aan de blik van anderen. Essentieel voor kinderen is de mogelijkheid om te kiezen tussen binnen en buiten, en daar te kunnen kiezen wat ze doen en met wie. Het activiteitenaanbod moet uit gevarieerde activiteiten bestaan die op maat van de kinderen zijn en hen uitdagen. Bovenal moet het voor kinderen mogelijk zijn om zelf keuzes te maken over wanneer, wat en met wie ze spelen.

Aanbevelingen die toepasbaar zijn op de Nederlandse situatie:

  • Bied continuïteit in de begeleiding en goed voorbereide en pedagogisch gevormde begeleiders die in hun werk ondersteund worden.
  • Zorg voor een uitdagend en gevarieerd aanbod aan speelactiviteiten en speelmaterialen. Een aanbod dat aanspreekt voor jongens en meisjes van verschillende leeftijden en zoveel mogelijk vrije keuzemogelijkheden biedt. Binnen dit aanbod geldt dat er flexibel wordt omgegaan met de leeftijdsindeling en dat de kinderen hierin inspraak hebben.
  • Bied een vernieuwend spelaanbod dat de gewone gang van zaken doorbreekt. Dit zorgt ervoor dat kinderen met andere kinderen spelen dan dat ze normaal gewend zijn te doen.
  • Het verdient aandacht om zoveel mogelijk verschillende manieren aan te wenden om zicht te krijgen op wat de kinderen ervaren. Welke betekenis ze aan bepaalde zaken en wat willen ze echt? Creëer een klimaat van vrijheid met de mogelijkheid voor de kinderen om hun mening te uiten. Een omgeving waarin ze het gevoel hebben dat er echt naar ze wordt geluisterd.
Bron
Originele titel: Schoolkinderen en hun opvang. Wat leren ze ons over kwaliteit?
Auteur: Brecht Peleman, Caroline Boudry, Lieve Bradt, Tineke Van de Walle en Michel Vandenbroeck
Publicatiedatum bron: 2014
Zoeken via kernwoorden

Chillen, skaten, gamen. Opvattingen over kwalitatief goede buitenschoolse opvang in Nederland.
Marianne Boogaard, Ruben Fukkink en Charles Felix | 2008

Schoolkinderen en hun opvang. Wat leren ze ons over kwaliteit?
Brecht Peleman, Caroline Boudry, Lieve Bradt, Tineke Van de Walle en Michel Vandenbroeck | 2014

Pedagogical quality of after-school care: Relaxation and/or enrichment?
Ruben Fukkink en Marianne Boogaard | 2020

Grip op pedagogische kwaliteit
Annette Wiesman | 2018

Measuring interaction skills of caregivers in child care centers: Development and validation of the Caregiver Interaction Profile Scales
Katrien Helmerhorst, Marianne Riksen-Walraven, Harriet Vermeer, Ruben Fukkink en Louis Tavecchio | 2014

“Kijk eens wat ik kan!” Sociale praktijken in de interactie tussen kinderen van 4 tot 8 jaar in de buitenschoolse opvang
Nynke van der Schaaf | 2016

How to Play without Toys? A Playwork Experimentation in Paris
Baptiste Besse-Patin | 2018

Pedagogical quality of after-school care: Relaxation and/or enrichment?
Ruben Fukkink en Marianne Boogaard | 2020

Autonomy, Fairness and Active Relationships: Children’s Experiences of Well-being in Childcare
Emma Cooke, Michelle Brady, Cheryll Alipio en Kay Cook | 2019

Pedagogical tact. Knowing what to do when you don’t know what to do
Max van Manen | 2014/2015

A professionalisation programme towards children’s risk-taking in play in childcare contexts: moral friction on developing attitudes and collegial expectations
Martin van Rooijen en Gaby Jacobs | 2019

Tijd voor pedagogiek: Over de pedagogische paragraaf in onderwijs, opleiding en vorming
Gert Biesta | 2015

The “what” and “why” of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior
Edward L. Deci en Richard M. Ryan | 2000

Executive functioning and school adjustment: The mediational role of pre-kindergarten learning-related behaviors
Tyler R. Sasser, Karen L. Bierman en Brenda Heinrichs | 2015

Activity settings and daily routines in preschool classrooms: Diverse experiences in early learning settings for low-income children
Allison Sidle Fuligni, Carollee Howes, Yiching Huang, Sandra Soliday Hong en Sandraluz Lara-Cinisomo | 2012

Activity settings in toddler classrooms and quality of group and individual interactions
Carolina Guedes, Joana Cadima, Teresa Aguiar, Cecília Aguiar en Clara Barata | 2020

From External Regulation to Self-Regulation: Early Parenting Precursors of Young Children's Executive Functioning
Annie Bernier, Stephanie M. Carlson en Natasha Whipple | 2011

De 1e 1000 dagen: het versterken van de vroege ontwikkeling. Een literatuurverkenning ten behoeve van gemeenten
Symone Detmar en Marianne de Wolff | 2019

How to support toddlers’ autonomy: A qualitative study with child care educators
Marilena Côté-Lecaldare, Mireille Joussemet en Sarah Dufour | 2016

Proefschrift: Exploring childcare spaces. Young children’s exploration of the indoor play space in center-based childcare
Ine van Liempd | 2018

General comment No. 17 on the right of the child to rest, leisure, play, recreational activities, cultural life and the arts
UN Committee on the Rights of the Child | 2013

Ontwikkelingen in de kwaliteit van de Nederlandse kinderdagopvang, peuteropvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang op basis van de gecombineerde metingen 2017 -2019
Pauline Slot, IJsbrand Jepma, Paulien Muller, Bodine Romijn, Celeste Bekkering en Paul Leseman | 2019

Overview of European ECEC curricula and curriculum template
Kathy Sylva, Katharina Ereky-Stevens en Ana-Maria Aricescu | 2015

European Framework of Quality and Wellbeing Indicators
Thomas Moser, Paul Leseman, Edward Melhuish, Martine Broekhuizen en Pauline Slot | 2017

Welbevinden en betrokkenheid als toetsstenen voor kwaliteit in de kinderopvang. Implicaties voor het monitoren van kwaliteit
Ferre Laevers | 2016

Child care quality in the Netherlands: From quality assessment to intervention (proefschrift)
Katrien Helmerhorst | 2014

Early childhood education and care in the Netherlands. Quality, curriculum, and relations with child development
Pauline Slot | 2014

Kwaliteit van babyopvang. Een literatuurstudie
Harriet Vermeer & Marleen Groeneveld | 2017

Pedagogische kwaliteit in de kinderopvang: Doelstellingen en kwaliteitscriteria
Marianne Riksen-Walraven | 2004

Tijd voor kwaliteit in de kinderopvang
Marianne Riksen-Walraven | 2000

Expertisecentrum Kinderopvang werkt samen met de sector in het belang van het zich ontwikkelende kind.

Dus doe mee en investeer mee!

Voor de brede ontwikkeling
van kind én branche

JA, ik doe mee! meer info over het investeren

investeren in kinderopvang