WETENSCHAPPELIJKE BRON
Onderwerp: Onderlinge interacties | Publicatiedatum: 2020

Kern

In dit onderzoek is het sociale gedrag van kinderen wanneer ze zich in de nabijheid (binnen 2 meter) en niet in de nabijheid van een pedagogisch medewerker bevonden vergeleken. De resultaten tonen aan dat kinderen in de laatste situatie aanzienlijk meer tijd besteden aan sociale handelingen en interacties met andere kinderen. De resultaten tonen ook aan dat wanneer kinderen in de nabijheid van pedagogisch medewerkers zijn, ze vaker sociaal gericht zijn op de volwassene in plaats van op andere kinderen.

In de literatuur zijn gemengde resultaten te vinden met betrekking tot de rol van pedagogisch medewerker-betrokkenheid bij de competentieontwikkeling van kinderen. In het bijzonder de rol van de pedagogisch medewerker in onderlinge interacties tussen kinderen lijkt ambivalent en geeft aanleiding tot controverse. Zo beweren sommigen dat in groepen van 2–3-jarigen de aanwezigheid van pedagogisch medewerkers kinderen een 'veilige basis' biedt die nodig is om interacties met andere kinderen aan te gaan. Doordat in deze leeftijdscategorie vaak misverstanden en moeilijkheden bij het anticiperen op het gedrag van andere kinderen voorkomen, maakt dit sociale ontmoetingen vaak kort of kan het leiden tot conflicten. De geruststellende aanwezigheid van een pedagogisch medewerker kan deze jonge kinderen helpen om interactie met leeftijdsgenoten aan te gaan. Bovendien geven sommige onderzoeken aan dat de kwaliteit van de relaties met pedagogisch medewerkers, in het bijzonder de veilige gehechtheid aan hen, positief verband houden met prosociaal gedrag van kinderen en meer complex spel tussen kinderen. Doordat er verbanden bestaan tussen de competentie van kinderen om te communiceren met pedagogisch medewerkers en met ander kinderen, zou geconcludeerd kunnen worden dat pedagogisch medewerkers kinderen helpen om complexe communicatieve competenties te verwerven, vooral op taal- en symbolisch niveau, die kinderen vervolgens kunnen gebruiken om interacties met andere kinderen te hebben.

Daartegenover verdedigen anderen het idee dat pedagogisch medewerkers remmende effecten hebben op interacties tussen kinderen. Er zijn ook onderzoeken die melden dat in de kinderopvang de tijd die kinderen besteden aan interacties met volwassenen negatief samenhangt met de tijd die ze besteden aan interacties met leeftijdsgenoten. Het feit dat pedagogisch medewerkers kunnen anticiperen op- en zich kunnen aanpassen aan de behoeften en verwachtingen van de kinderen, waardoor de inspanningen van kinderen om de interactie te onderhouden tot een minimum worden beperkt, maakt de pedagogisch medewerkers bijzonder aantrekkelijke gesprekspartners. Daarentegen is het onderhouden van een interactie met leeftijdsgenoten voor kinderen tussen en 2-3 jaar buitengewoon veeleisend, zelfs zeer korte onderbrekingen kunnen deze interacties stoppen. 

Bovenstaande laat zien dat er zowel negatieve als positieve effecten van pedagogisch medewerkers op de ontwikkeling van interacties tussen kinderen in groepsverband zouden kunnen zijn. De hypothese van het onderzoek van Legendre en Munchenbach is dat deze twee tegengestelde rollen - dat wil zeggen pedagogisch medewerkers als veilige basis die betrokkenheid bij interacties tussen kinderen bevordert en pedagogisch medewerkers als competitieve sociale gesprekspartners ten nadele van leeftijdsgenoten - niet fundamenteel tegenstrijdig zijn, maar afhankelijk zijn van de context. Verschuivingen in de overheersing van deze twee rollen kunnen namelijk veranderen samen met de sociale en fysieke componenten die op een bepaald moment de microcontext van het handelen van het kind kenmerken.

Rekening houden met de kenmerken van de microcontext waarin sociale interacties zich ontwikkelen, lijkt bijzonder relevant voor de leeftijdscategorie die in deze studie wordt beschouwd. In de loop van het derde levensjaar - voordat verbale communicatie de overhand krijgt - zijn interacties tussen kinderen sterk contextafhankelijk. Deze interacties tussen 2–3-jarige kinderen berusten op de ontwikkeling van wederzijdse imitatie die de mogelijkheid veronderstelt om gelijktijdig hetzelfde of identiek speelmateriaal te gebruiken. Bovendien zijn ze ook selectief in de keuze van waar ze in de ruimte willen zijn, wat afhangt van hun relatie met de andere kinderen die in de ruimte aanwezig zijn.

In deze studie zijn er twee sociaal-ruimtelijke situaties vergeleken:

  • aanwezigheid van pedagogisch medewerkers binnen 2 meter van het kind
  • afwezigheid van pedagogisch medewerkers binnen 2 meter van het kind. 

In beide situaties bevonden de kinderen zich in de onmiddellijke nabijheid van leeftijdgenoten, zodat leeftijdsgenoten direct bereikbare mogelijke sociale doelwitten of partners waren. Deze vergelijking was bedoeld om de impact van de aanwezigheid versus afwezigheid van pedagogisch medewerkers in de onmiddellijke nabijheid van de kinderen op hun sociaal georiënteerde gedrag, en in het bijzonder op hun interacties met leeftijdsgenoten, nauwkeurig te beoordelen. 

Er werd gevonden dat kinderen het grootste deel van de tijd één of meer andere kinderen direct om zich heen hebben en zo de mogelijkheid hebben om interacties met hen te ontwikkelen. In de helft van de tijd was er ook een pedagogisch medewerker dichtbij. Daarnaast tonen deze resultaten aan dat jonge kinderen eerder geneigd zijn om interactie te hebben met andere kinderen als er geen pedagogisch medewerker in de buurt is. Dit ondersteunt de opvatting dat de nabijheid van een pedagogisch medewerker een remmend effect heeft op interacties tussen kinderen. Wanneer meer op afstand, zullen pedagogisch medewerkers minder snel ingrijpen in de activiteiten van kinderen en interacties tussen kinderen, zelfs als deze "interventies" beperkt blijven tot eenvoudige aanmoedigingen. Bovendien suggereert het dat een minimale afstand tot pedagogisch medewerkers - tenminste groter dan 2 meter - een ruimtelijke voorwaarde is die de keuze voor interacties met een ander kind waarschijnlijk bevordert, met name voor de ontwikkeling van langere positieve interacties tussen kinderen.

Als kinderen binnen 2 meter van pedagogisch medewerkers staan, hebben de pedagogisch medewerkers twee keer zoveel interactietijd met een kind dan dat het kind met andere kinderen heeft. Dit ondersteunt sterk de opvatting dat het remmende effect van pedagogisch medewerkers op het optreden van interactie met andere kinderen op zijn minst gedeeltelijk te wijten is aan de voorkeur van jonge kinderen voor de bekwame, gevoelige en aantrekkelijke volwassen gesprekspartners ten koste van andere kinderen. 

Betekent dit dat pedagogisch medewerkers dan maar uit de buurt van kinderen moeten blijven? Nee, zeker niet. Een snelle visuele toegang tot pedagogisch medewerkers vanuit de positie van het kind in de ruimte blijkt een belangrijke voorwaarde te zijn waardoor een kind interacties kan aangaan met andere kinderen van 2-3 jaar. Deze jonge kinderen brengen meer tijd door in positieve interacties met leeftijdsgenoten als er geen visuele grenzen zijn tussen hen en de pedagogisch medewerkers. Daarom kan in kinderopvanggroepen de rol van pedagogisch medewerkers bij de ontwikkeling van interacties tussen kinderen tweeledig zijn. Enerzijds bieden pedagogisch medewerkers kinderen een veilige basis en moedigen ze hen aan om in contact te komen met andere kinderen. Dit bevorderende effect blijft bestaan zolang de pedagogisch medewerkers visueel toegankelijk zijn, waardoor het kind verzekerd is dat hij/zij bij hen terecht kan en hulp kan inroepen in geval van moeilijkheden. Aan de andere kant zet de onweerstaanbare aantrekkingskracht van volwassen gesprekspartners kinderen ertoe aan om te blijven proberen om met hen het gesprek aan te gaan ten koste van interacties met andere kinderen. Dit remmende effect houdt aan zolang het kind zich binnen 2 meter van de pedagogisch medewerker bevindt.

Bron
Originele titel: Two-to-three-year-old children's interactions with peers in child-care centres: Effects of spatial distance to caregivers
Auteur: Alain Legendre en Dominique Munchenbach
Publicatiedatum bron: 2011
Zoeken via kernwoorden

Measuring interaction skills of caregivers in child care centers: Development and validation of the Caregiver Interaction Profile Scales
Katrien Helmerhorst, Marianne Riksen-Walraven, Harriet Vermeer, Ruben Fukkink en Louis Tavecchio | 2014

“Kijk eens wat ik kan!” Sociale praktijken in de interactie tussen kinderen van 4 tot 8 jaar in de buitenschoolse opvang
Nynke van der Schaaf | 2016

How to Play without Toys? A Playwork Experimentation in Paris
Baptiste Besse-Patin | 2018

Pedagogical quality of after-school care: Relaxation and/or enrichment?
Ruben Fukkink en Marianne Boogaard | 2020

Autonomy, Fairness and Active Relationships: Children’s Experiences of Well-being in Childcare
Emma Cooke, Michelle Brady, Cheryll Alipio en Kay Cook | 2019

Pedagogical tact. Knowing what to do when you don’t know what to do
Max van Manen | 2014/2015

A professionalisation programme towards children’s risk-taking in play in childcare contexts: moral friction on developing attitudes and collegial expectations
Martin van Rooijen en Gaby Jacobs | 2019

Tijd voor pedagogiek: Over de pedagogische paragraaf in onderwijs, opleiding en vorming
Gert Biesta | 2015

The “what” and “why” of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior
Edward L. Deci en Richard M. Ryan | 2000

Executive functioning and school adjustment: The mediational role of pre-kindergarten learning-related behaviors
Tyler R. Sasser, Karen L. Bierman en Brenda Heinrichs | 2015

Activity settings and daily routines in preschool classrooms: Diverse experiences in early learning settings for low-income children
Allison Sidle Fuligni, Carollee Howes, Yiching Huang, Sandra Soliday Hong en Sandraluz Lara-Cinisomo | 2012

Activity settings in toddler classrooms and quality of group and individual interactions
Carolina Guedes, Joana Cadima, Teresa Aguiar, Cecília Aguiar en Clara Barata | 2020

From External Regulation to Self-Regulation: Early Parenting Precursors of Young Children's Executive Functioning
Annie Bernier, Stephanie M. Carlson en Natasha Whipple | 2011

De 1e 1000 dagen: het versterken van de vroege ontwikkeling. Een literatuurverkenning ten behoeve van gemeenten
Symone Detmar en Marianne de Wolff | 2019

How to support toddlers’ autonomy: A qualitative study with child care educators
Marilena Côté-Lecaldare, Mireille Joussemet en Sarah Dufour | 2016

Proefschrift: Exploring childcare spaces. Young children’s exploration of the indoor play space in center-based childcare
Ine van Liempd | 2018

General comment No. 17 on the right of the child to rest, leisure, play, recreational activities, cultural life and the arts
UN Committee on the Rights of the Child | 2013

Ontwikkelingen in de kwaliteit van de Nederlandse kinderdagopvang, peuteropvang, buitenschoolse opvang en gastouderopvang op basis van de gecombineerde metingen 2017 -2019
Pauline Slot, IJsbrand Jepma, Paulien Muller, Bodine Romijn, Celeste Bekkering en Paul Leseman | 2019

Overview of European ECEC curricula and curriculum template
Kathy Sylva, Katharina Ereky-Stevens en Ana-Maria Aricescu | 2015

European Framework of Quality and Wellbeing Indicators
Thomas Moser, Paul Leseman, Edward Melhuish, Martine Broekhuizen en Pauline Slot | 2017

Welbevinden en betrokkenheid als toetsstenen voor kwaliteit in de kinderopvang. Implicaties voor het monitoren van kwaliteit
Ferre Laevers | 2016

Child care quality in the Netherlands: From quality assessment to intervention (proefschrift)
Katrien Helmerhorst | 2014

Early childhood education and care in the Netherlands. Quality, curriculum, and relations with child development
Pauline Slot | 2014

Kwaliteit van babyopvang. Een literatuurstudie
Harriet Vermeer & Marleen Groeneveld | 2017

Pedagogische kwaliteit in de kinderopvang: Doelstellingen en kwaliteitscriteria
Marianne Riksen-Walraven | 2004

Tijd voor kwaliteit in de kinderopvang
Marianne Riksen-Walraven | 2000