Kinderopvang biedt dus de mogelijkheid tot interactie met andere kinderen en tot het verkennen en ontdekken van een ruimtelijke omgeving die anders is dan thuis. Dat kan kinderen stimuleren maar ook spannend zijn. Het is daarom belangrijk goed na te denken over het indelen en inrichten van deze voor kinderen vaak bijzondere ruimtelijke omgeving. Maar hoe doe je dat, en waarmee hou je dan rekening? Op deze vragen geven we antwoord, nadat we eerst definiëren wat we hier onder een geschikte ruimtelijke omgeving voor kinderopvang verstaan.¹


aandacht

Werkdefinitie

Met de ruimtelijke omgeving bedoelen we de binnenspeelruimte(n) bestemd voor kinderen, de inrichting van deze ruimte(n) en de spelmaterialen.

Een geschikte ruimtelijke omgeving is onderdeel van de pedagogische kwaliteit van de kinderopvang, ondersteunt de pedagogische visie van de organisatie en versterkt de pedagogisch medewerkers in hun pedagogisch handelen. De ruimtelijke omgeving ondersteunt de autonomie van kinderen en stelt hen in staat zich veilig te voelen, te onderzoeken en zich te ontwikkelen. Omdat kinderen verschillen in leeftijd, ontwikkelingsfase, belangstelling en achtergrond moeten ruimte(n), inrichting en materialen passen bij de verschillende behoeften van kinderen. Ruimten worden daarom uitnodigend en uitdagend ingericht vanuit het kindperspectief, met als doel de vier pedagogische basisdoelen te bevorderen.

Het bovenstaande betekent dat de ruimtelijke omgeving is afgestemd op de verschillende ontwikkelingsfasen van kinderen, maar ook dat ruimten flexibel worden ingericht om in te kunnen spelen op veranderingen binnen een groep. Flexibel betekent niet dat ruimten steeds moeten worden veranderd, maar wel dat ze ‘veranderbaar’ zijn, wanneer daar vanuit het kind bezien behoefte aan is.

Waarom is het belangrijk dat de ruimtelijke omgeving wordt ingericht vanuit het kindperspectief?

Kinderen zijn onderzoekers: al spelend onderzoeken en verkennen ze de ruimte om hen heen en alles wat zich daarin bevindt. Ze ontdekken dat je aan een tafel kunt zitten of staan, maar ook eronder kunt kruipen en dat je er beter een puzzel op kan maken dan op een vloerkleed. Ze ontdekken ook dat wat je met die tafel kunt, samenhangt met je eigen fysieke mogelijkheden. En ze gebruiken elementen in de ruimte soms op andere manieren dan je als volwassene zou verwachten. Een beginnende loper kan een laag tafeltje gebruiken om erlangs te lopen, een dreumes kan in een kastje kruipen om even alleen te zijn. Een goed ingerichte ruimte biedt kinderen een diversiteit aan mogelijkheden om nieuwe ervaringen en vaardigheden op te doen, alleen en samen met anderen. De ruimte wordt vaak beschouwd als de ‘derde pedagoog’, die de eerste pedagoog, de kinderen, en de tweede pedagoog, de pedagogisch medewerkers, kan ondersteunen. Maar in de praktijk blijkt het best lastig om ruimten zo in te richten dat ze ook daadwerkelijk als derde pedagoog kunnen functioneren. Er is in Nederland, maar ook in andere landen, weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de relatie tussen de ruimtelijke omgeving in de kinderopvang en ontwikkeling en gedrag van kinderen. In dit theoretisch kader werken we bovenstaande werkdefinitie uit aan de hand van de vier pedagogische basisdoelen. Hoe kun je die vertalen naar de ruimte?

Emotionele veiligheid bieden: handvatten voor de ruimtelijke omgeving

Je veilig en vertrouwd voelen is een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van ieder kind. Als een kind zich op zijn gemak en veilig voelt, zal het makkelijker interacties met anderen aangaan en op onderzoek uitgaan. Ook de ruimtelijke omgeving kan bijdragen aan het bieden van emotionele veiligheid. Daarbij blijken de volgende ruimtelijke aspecten een rol te spelen: herkenbaarheid, voorspelbaarheid, zichtbaarheid en overzicht en rust en privacy.

Herkenbaarheid

Het is belangrijk dat kinderen zich herkennen in de manier waarop ruimten zijn ingericht. De identiteit van de kinderen kan worden verbonden met de ruimte door voor de kinderen vertrouwde kleuren, materialen en meubilair toe te passen, en door de aankleding van de ruimte af te stemmen op het kind. Denk hierbij aan een familiemuur, aan foto’s van pedagogisch medewerkers en kinderen en aan een plek om dingen die door de kinderen gemaakt zijn te ‘exposeren’. Het blijkt dat kinderen veel waarde hechten aan het hebben van een plek waar ze eigen spullen, werkjes en tekeningen (mandje, vakje) kunnen bewaren. (Zie ook: Kennisbasis Diversiteit en Inclusie). Resultaten van onderzoek naar kleurgebruik in ruimten voor jonge kinderen zijn niet eenduidig en vaak cultureel bepaald. Het lijkt daarom vanuit het oogpunt van herkenbaarheid goed om aan te sluiten bij wat in de eigen omgeving van kinderen gebruikelijk is.

Voorspelbaarheid

Vooral voor jonge kinderen is het belangrijk dat de ruimte voorspelbaar is. Met jonge kinderen bedoelen we hier kinderen tussen nul en vier jaar. Jonge kinderen kunnen zich nog niet zo goed oriënteren (de weg vinden) in een ruimte. Het biedt emotionele veiligheid als de ruimte een duidelijke indeling heeft. Dat betekent dat de ruimte een heldere structuur heeft (waar hoort wat?) met herkenbare speelplekken. Maar ook dat looproutes niet door speelplekken heen gaan, zodat kinderen niet gestoord worden tijdens hun spel. Dit geldt voor alle kinderen, maar bedenk dat het voor kinderen die maar een paar dagen per week aanwezig zijn, extra belangrijk is dat ruimtes voorspelbaar zijn. Dit betekent dat de indeling en inrichting van de ruimte alleen veranderd wordt als daar vanuit de kinderen behoefte aan is. Om kinderen te stimuleren om te onderzoeken en ontdekken op een wijze die past bij hun ontwikkelingsfase, is differentiatie in het gebruik van spelmaterialen wel wenselijk, bijvoorbeeld door de boekjes in de leeshoek af te wisselen of nieuwe toe te voegen.

Zichtbaarheid en overzicht

Onderzoek laat zien dat jonge kinderen, tot een jaar of 3, vaker op plekken verder weg van de pedagogisch medewerker spelen als de ruimte is ingedeeld in speelzones met een lage afscheiding (kastje, wandje, vloerkleed), waardoor kinderen de pedagogisch medewerker kunnen blijven zien. In zo’n ruimte gaan kinderen eerder zelf op onderzoek uit en gebruiken ze de hele ruimte. Als duidelijke speelzones ontbreken, of als er hoge barrières zoals een hoge kast of wand zijn waardoor een kind de pedagogisch medewerker niet kan blijven zien, zullen kinderen juist vaker dicht in de buurt van de pedagogisch medewerker blijven. Er blijken op die ‘onzichtbare’ plekken ook vaker conflicten te ontstaan.

Rust en privacy

Onderzoek laat zien dat kinderen in alle leeftijdsfasen af en toe behoefte hebben aan een plek om zich terug te trekken. Bij de jongere kinderen gaat het dan vooral om de behoefte om even op zichzelf te zijn, om tot rust te komen en de prikkels van het verblijven in een groep te verwerken. Ze willen dan graag een beschut plekje van waaruit ze wel kunnen zien wat er in de rest van de ruimte gebeurt, maar niet hoeven deel te nemen aan een activiteit. Dit kan een tentje zijn, maar ook een kastje of plek onder tafel. Kinderen in de schoolleeftijd lijken minder behoefte te hebben aan een plek om zich alleen terug te trekken, maar willen wel plekken waar ze met een of meer andere kinderen apart kunnen zijn. Die behoefte aan privacy (uit het zicht en gehoor van anderen zijn, kiezen met wie je wel en niet wilt samen zijn) groeit naarmate kinderen ouder worden. Oudere kinderen willen daarom juist vaker (oefenen met) uit het zicht zijn.

Persoonlijke competenties bevorderen: handvatten voor de ruimtelijke omgeving

De ruimtelijke omgeving kan bijdragen aan het bevorderen van de zelfstandigheid en autonomie van kinderen. Een goed ingerichte ruimte daagt kinderen uit om materialen en objecten al spelend te onderzoeken en te combineren en daardoor steeds nieuwe vaardigheden op te doen. Om zo’n uitdagende ruimtelijke omgeving te realiseren is het belangrijk om aandacht te besteden aan het stimuleren en faciliteren van verschillende ontwikkelingsgebieden en aan indeling in activiteitenplekken in relatie tot autonomie (zie ook: Kennisbasis Autonomie kind).

Stimuleren en faciliteren van verschillende ontwikkelingsgebieden

We maken onderscheid tussen de motorische ontwikkeling, zintuigelijke ontwikkeling, creatieve ontwikkeling en cognitieve ontwikkeling (sociaal-emotionele ontwikkeling komt aan de orde bij het basisdoel sociale competenties). Er is voldoende en geschikte ruimte nodig om deze ontwikkelingsgebieden te ondersteunen en stimuleren. Het is belangrijk dat er voldoende (spel)materiaal is dat de verschillende ontwikkelingsgebieden stimuleert, en dat het materiaal zichtbaar en beschikbaar is.

Voor wat betreft de motorische ontwikkeling blijkt dat jonge kinderen aanzienlijk meer bewegen als er binnen klim- en klautermaterialen zijn zoals een glijbaantje of een klimrekje, en speelgoed dat je kunt duwen of trekken. Het hebben van een vrije vloerruimte (dat kan ook in een gang zijn) is belangrijk om kinderen vrij te laten bewegen (dansen, springen, rennen). Bij oudere kinderen, die makkelijk zelfstandig naar buiten kunnen, kunnen deze activiteiten ook buiten plaats vinden. Voor de jongste kinderen, die nog veel bezig zijn met het ontwikkelen van hun motorische vaardigheden, is het hebben van voldoende bewegingsruimte buiten én binnen belangrijk.

Als het gaat om het stimuleren van de zintuigelijke ontwikkeling in de ruimtelijke omgeving zijn vooral het zien, horen en voelen van belang. Wat is er te zien in de ruimte, op een hoogte die voor kinderen goed waarneembaar is? Denk aan spelmaterialen, aan wanddecoraties, een raam om naar buiten te kijken. Wat is er te horen, behalve het geluid van de kinderen zelf? Het is belangrijk om geluidsoverlast te voorkomen, omdat dit een negatieve invloed op zowel volwassenen als kinderen kan hebben. Kinderen, en volwassenen, ervaren namelijk meer stress in een lawaaierige omgeving. Wat is er te voelen? Door kijken en voelen ontdekken kinderen de eigenschappen van verschillende materialen, zowel in het interieur als in spelmaterialen. Denk bij interieur aan het gebruik van harde en zachte materialen. Denk bij spelmaterialen aan harde, zachte, gladde, oneffen materialen, maar ook aan dingen die warm, koud, nat, droog aanvoelen.

Voor wat betreft de creatieve ontwikkeling is het belangrijk dat er plekken zijn waar kinderen hun verbeelding en creativiteit kunnen gebruiken, passend bij hun ontwikkelingsfase. In fantasie- en rollenspel, maar ook in het gebruik van materialen om te knutselen, verven, kleien en tekenen. De pedagogisch medewerker kan deze activiteiten faciliteren en ondersteunen door de materialen die hiervoor nodig zijn direct en gebruiksklaar te plaatsen bij de plek(ken) waar de activiteiten kunnen plaatsvinden.

Om de cognitieve ontwikkeling te stimuleren is er ruimte nodig waar kinderen kunnen onderzoeken, ontdekken, combineren en experimenteren. Er zijn plekken en materialen voor constructiespel (bouwen, ordenen, sorteren, combineren) en materialen die de spraak-taalontwikkeling stimuleren. Onderzoek laat zien dat open eind materialen zoals blokken, duplo en andere losse materialen waarmee kinderen iets groters kunnen samenstellen (treinbaan) tot rijker spel leiden dan kant en klaar speelgoed. Voor wat betreft de spraak-taalontwikkeling blijkt het belangrijk dat er een rustige plek is, waar materialen zoals lees-, luister- en kijkboeken beschikbaar zijn die kinderen zelf kunnen pakken.

Indeling in activiteitenplekken in relatie tot autonomie

Het blijkt dat een indeling van de ruimte in duidelijk herkenbare activiteitenplekken de spelbetrokkenheid van kinderen vergroot, en dat kinderen op zulke plekken geconcentreerder spelen. Zo’n activiteitenplek kan een bouwhoek zijn, maar ook een schilderwand, een pingpongtafel of een bank om lekker te hangen. Het type plek hangt af van de ontwikkelingsfase(n) van de kinderen in de groep, en kan dus heel verschillend zijn. Om de autonomie en keuzevrijheid van kinderen te stimuleren is het belangrijk dat kinderen zelf spelmaterialen kunnen pakken. Bij jonge kinderen betekent dat dat materialen zichtbaar en op hun hoogte worden aangeboden, voor de grotere kinderen dat ze weten waar materialen staan. Onderzoek laat zien dat het aantal verschillende plekken ertoe doet: als er weinig goed herkenbare activiteitenplekken zijn, en kinderen dus niet veel keuzemogelijkheden hebben, wordt een lagere spelbetrokkenheid gezien. De tafel is een activiteitenplek die door jonge kinderen veel gebruikt wordt voor complexe exploratie (het combineren van meerdere materialen of onderdelen, zoals maken van puzzels, knutselen). Het blijkt dat het welbevinden van jonge kinderen in een ruimte met hoge tafels lager is dan in een ruimte waar (een deel van) de tafels op kindhoogte zijn. Een tafel op kindhoogte, met een kast met voldoende materialen voor exploratie, versterkt de autonomie van het kind. Aan een lage tafel kunnen kinderen bovendien kiezen om te zitten of te staan (en dat laatste doen ze vaak), wat hun bewegingsvrijheid vergroot. Autonomie betekent ook dat kinderen zich vrij voelen om zelf keuzes te maken en de kans krijgen om creatieve combinaties te maken, door bijvoorbeeld de poppen te verhuizen naar de leeshoek of naar de vrije vloer. Het blijkt dat kinderen die vrije vloer veel gebruiken om er te spelen. Het hangt van de vorm en inrichting van de ruimte af of de vrije vloer kan worden ingezet als een (flexibele) extra activiteitenplek, bijvoorbeeld voor bewegingsspel (zie hierboven ‘motorische ontwikkeling’) of voor het maken van een tijdelijke speelplek door er een matje of kleed met spelmateriaal neer te leggen.

Sociale competenties bevorderen: handvatten voor de ruimtelijke omgeving

Een belangrijk kenmerk van de kinderopvang is dat kinderen er vanaf jonge leeftijd samen zijn met leeftijdsgenootjes, en er voortdurend interacties met andere kinderen plaatsvinden. Dit biedt kinderen kansen om initiatief te nemen, samen te werken en met elkaar te praten (Zie ook: kennisbasis Onderlinge interacties en groepsdynamica). Kinderen spelen samen, in kleine of grotere groepen, maar ze spelen ook regelmatig alleen, of naast elkaar (parallel spel). Ook dat is belangrijk voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. Het is dan ook van belang om bij de inrichting van de ruimtelijke omgeving rekening te houden met het bieden van mogelijkheden voor al deze vormen van spel. Daarbij is aandacht nodig voor de ruimtelijke indeling en daarbinnen voor het maken van plekken voor samen of apart.

Ruimtelijke indeling

De ruimte(n) moet(en) zo ingericht zijn dat interacties tussen kinderen onderling en met pedagogisch medewerkers gemakkelijk kunnen plaatsvinden. De indeling in verschillende typen plekken hangt samen met de ontwikkelingsfase van de kinderen. Het is dus belangrijk om de indeling van de ruimte steeds te bezien vanuit het kindperspectief. Jonge kinderen (0-4 jaar) spelen nog vooral alleen of naast elkaar. Naarmate kinderen zich verder ontwikkelen ontstaat er meer interactie en groeit ook de behoefte aan plekken voor sociaal spel. Maar kinderen verschillen ook onderling in hun sociale behoeften en competenties. Bovendien kunnen kinderen ook gedurende de dag momenten hebben waarop ze alleen of juist samen willen zijn. Een goed ingedeelde ruimte heeft dus niet enkel plekken voor ontmoeting en interactie, maar ook plekken waar kinderen alleen kunnen spelen, of bij elkaar in de buurt kunnen zijn zonder echt met elkaar te spelen.

Bij het nadenken over plekken voor momenten met de hele groep (eten, drinken, zingen, verhalen vertellen) lijkt het van belang goed te kijken naar wat past bij de behoeften en de sociale ontwikkelingsfasen van de kinderen in de groep. Hoewel er nog nauwelijks onderzoek gedaan is naar de wenselijke groepsgrootte als het gaat om deze groepsactiviteiten, zou het kunnen dat voor sommige kinderen een indeling in kleinere subgroepen fijner is. Zoals het voorbeeld van een BSO die naast de centrale tafel een fluistertafel heeft voor kinderen die rustig hun lunch willen opeten. Zo liet onderzoek bijvoorbeeld zien dat voorlezen aan een groepje van drie 2-jarigen veel meer actieve betrokkenheid opleverde dan wanneer de groep uit acht kinderen bestond. Naarmate kinderen sociaal vaardiger worden kan juist in een wat grotere groep meer interactie en (verbale) uitwisseling ontstaan.

Uit onderzoek blijkt dat kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar, als ze tijdens vrij spel met spelmaterialen bezig zijn, vaker alleen of vlakbij elkaar (parallel spel) bezig zijn dan in groepjes. Omdat het exploreren van spelmaterialen bijdraagt aan de motorische, zintuigelijke, creatieve en cognitieve ontwikkeling zijn er plekken nodig die dit individueel en parallel spel mogelijk maken. Denk bijvoorbeeld aan een huishoek met twee aanrechtjes met spelattributen naast elkaar.

Normen en waarden overbrengen: handvatten voor de ruimtelijke omgeving

De ruimtelijke omgeving kan bijdragen aan het overbrengen van normen en waarden, en het respectvol omgaan met anderen. Als de ruimte er verzorgd en goed onderhouden uitziet wordt dat door kinderen, en ouders, ervaren als een teken van zorg voor de kinderen. Een respectvolle omgang met anderen houdt ook in dat rekening gehouden wordt met diversiteit en inclusie (zie ook: Kennisbasis diversiteit en inclusie). Er is weinig onderzoek bekend over de relatie tussen normen en waarden en de ruimtelijke omgeving. We gaan in op twee aspecten: inrichting en participatie.

Inrichting

Het blijkt dat een verzorgde, geordende en rustige ruimte (qua interieur en geluid) een positieve invloed heeft op het gedrag van kinderen. Dit betekent ook dat de ruimtes speelklaar gemaakt zijn. Sporen van gebruik door kinderen gedurende de dag zijn normaal. De ruimte hoeft niet steeds opgeruimd te worden, omdat dat het spel van kinderen juist kan verstoren. In de inrichting van de ruimte is het ook belangrijk dat er aandacht is voor de wereld en voor de natuur, op een wijze die past bij de visie van de organisatie. De inrichting van de ruimte houdt ook rekening met het individuele kind en met de groep als geheel (zie ook: emotionele veiligheid).

Kinderparticipatie

Het is belangrijk dat kinderen leren om zorg te dragen voor anderen, maar ook voor hun omgeving. Door kinderen te laten meedenken over de inrichting van de ruimte, worden ze ‘mede-eigenaar’ en leren ze ook zorg dragen voor de ruimte om hen heen. Rekening houden met kinderen, en hun wensen en behoeften serieus nemen, kan ook door te achterhalen wat voor kinderen belangrijke plekken zijn. Op deze manier draagt kinderparticipatie ook bij aan het overbrengen van normen en waarden.

SAMENVATTING AANBEVELINGEN

Emotionele veiligheid:

  • Zorg voor herkenbaarheid, bijvoorbeeld met een familiemuur. Geef kinderen een plek waar ze eigen spullen, werkjes en tekeningen (mandje, vakje) kunnen bewaren.
  • Zorg voor een heldere indeling van de ruimte met duidelijke speelplekken. Laat looproutes niet door speelplekken heen gaan, zodat kinderen niet gestoord worden tijdens hun spel.
  • Verander de indeling en inrichting van de ruimte alleen als blijkt dat daar vanuit de kinderen behoefte aan is. Maar varieer wel regelmatig in spelmaterialen passend bij de ontwikkelingsfase van het kind.
  • Deel ruimten voor kinderen tot ongeveer 3 jaar in in duidelijke speelzones met een lage afscheiding (kastje, wandje, vloerkleed), waardoor het kind de pedagogisch medewerker kan blijven zien.
  • Maak een terugtrekplek (tentje, kastje) waar jonge kinderen kunnen zien wat er in de rest van de ruimte gebeurt, maar even niet hoeven deel te nemen aan een activiteit.
  • Kinderen in de schoolleeftijd hebben behoefte aan privacy: zorg voor plekken waar ze met een of meer andere kinderen apart kunnen spelen/zitten.

Persoonlijke competenties

  • Stimuleer de motorische ontwikkeling van jonge kinderen door klim- en klautermaterialen zoals een glijbaantje of een klimrekje, en speelgoed dat je kunt duwen of trekken. Zorg voor vrije vloerruimte (dat kan ook een gang zijn) om kinderen vrij te laten bewegen.
  • Stimuleer de zintuigelijke ontwikkeling door het gebruik van verschillende materialen (hard, zacht) in het interieur. Denk bij spelmaterialen aan harde, zachte, gladde, oneffen materialen, maar ook aan dingen die warm, koud, nat, droog aanvoelen.
  • Stimuleer de creatieve ontwikkeling met plekken voor fantasie- en rollenspel, en voor knutselen, verven, kleien en tekenen. Situeer materialen direct bij de plek(ken) waar de activiteiten kunnen plaatsvinden.
  • Kies voor open eind materialen zoals blokken, duplo en andere losse materialen waarmee kinderen iets groters kunnen samenstellen (treinbaan).
  • Zorg voor een rustige lees-/kijkplek, met lees-/luister- en kijkboeken op kindhoogte.
  • Om de autonomie en keuzevrijheid van kinderen te stimuleren is het belangrijk dat kinderen zelf spelmaterialen kunnen pakken. Bij jonge kinderen betekent dat dat materialen zichtbaar en op hun hoogte worden aangeboden, voor de oudere kinderen dat ze weten waar materialen staan.
  • Een tafel op kindhoogte, met een kast met voldoende materialen voor exploratie, versterkt de autonomie en het welbevinden van het kind.
  • Ga na of de vrije vloer gebruikt kan worden voor bewegingsspel of als een tijdelijke speelplek door er een matje of kleed met spelmateriaal neer te leggen.

Sociale competenties

  • Maak plekken voor ontmoeting en interactie, maar ook plekken waar kinderen alleen kunnen spelen, of bij elkaar in de buurt kunnen zijn zonder echt samen te spelen.
  • Ga na of groepsactiviteiten altijd met de hele groep moeten. Voor sommige kinderen is een indeling in kleinere subgroepen misschien fijner. Zoals in de BSO die naast de centrale tafel een fluistertafel heeft voor kinderen die rustig hun lunch willen opeten.
  • Richt voor jonge kinderen plekken in voor alleen of parallel spel, zoals een huishoek met twee aanrechtjes naast elkaar.

Normen en waarden

  • Zorg dat de ruimte aan het begin van de dag speelklaar is en er verzorgd uitziet. De ruimte hoeft niet steeds opgeruimd te worden, omdat dat het spel van kinderen juist kan verstoren.
  • Besteed in de inrichting van de ruimte aandacht aan de wereld en de natuur, op een wijze die past bij de visie van de organisatie.
  • Betrek kinderen bij de inrichting van de ruimte, laat ze meedenken en maak ze mede-eigenaar van de ruimte.


aandacht

Hoe is de werkdefinitie tot stand gekomen?

Na een uitgebreide zoektocht naar, en screening van de literatuur naar omgeving in de context van de kinderopvang, heeft de betrokken onderzoeker een concept-werkdefinitie geformuleerd, die vervolgens is voorgelegd aan het ontwikkelteam. Na diverse gesprekken is het ontwikkelteam uiteindelijk gekomen tot de werkdefinitie zoals deze hierboven beschreven staat.

¹Uiteraard speelt ook de fysieke veiligheid een belangrijke rol in de inrichting van de ruimtelijke omgeving, maar omdat deze vastgelegd is in wettelijke kaders wordt dit onderdeel hier niet besproken.

Praktijkvoorbeelden gezocht

We zijn op zoek naar aansprekende voorbeelden uit de praktijk.
Wil jij een voorbeeld uit jouw eigen praktijk aandragen?

Vul dan alsjeblieft het contactformulier in en we nemen snel contact met je op!

Voorbeeld aandragen

Ontwikkelteam | Omgeving: ruimte, inrichting en materialen

Pedagogisch professional
Daniëlle de Wit (Norlandia Kinderopvang)
Daniëlle van Mourik (Quadrant)
Greet van den Dool (Kinderopvang Gro-up)
Hellen van Tilborg (SB Kinderopvang)
Joyce Ravenstijn (KOK Kinderopvang)
Laura Hoogcarspel (Hero Kindercentra)
Marinda Fischer (Kdv Het Leidsche Tuynhuis)
Michelle van Die (Vlietkinderen)
Sophie Bodeving (Tabijn)
Sylvia van Duyn (Floreokids)
Onderzoeker
Ine van Liempd (Universiteit Utrecht)