Gedragsontwikkeling begeleiden

In hun eerste levensjaren moeten kinderen ‘inburgeren’. Dat wil zeggen: bekend raken met en zich aanpassen aan de regels en routines in hun omgeving. Zij maken een ontwikkeling door van externe regulatie van gedrag, via co-regulatie naar zelfregulatie.


aandacht

Werkdefinitie

Positieve (of oplossingsgerichte) gedragsondersteuning staat voor: een preventieve proactieve aanpak waarmee professionals en teams een veilige en positieve omgeving creëren. Dat doen ze door structureel regels en gedragsverwachtingen op een positieve manier aan te leren. De gedragsondersteuning is gericht op gewenst gedrag in de groep en positieve relaties, waarbij:

  • oog is voor de behoefte of vraag achter het gedrag van kinderen en waarbij gezocht wordt naar een aanpak waarmee kinderen leren hun gedrag aan te passen;
  • ouders worden geïnformeerd en waar mogelijk met hen wordt samengewerkt.

    Het uiteindelijk doel? Kinderen in hun (gedrags)ontwikkeling verder te helpen en hen te leren positief te functioneren in een groep.

aandacht

Van co-regulatie naar zelfregulatie

Co-regulatie verwijst naar ondersteunende activiteiten van pedagogisch medewerkers om kinderen te begeleiden bij hun dagelijkse interacties en activiteiten. Bijvoorbeeld door verwachtingen uit te spreken, instructies te geven en gedachten of emoties te benoemen. Op deze manier stellen ze het gedrag, de gedachten of emoties van kinderen bij, overeenkomstig de verwachtingen en waarden in die specifieke context. Uiteindelijk is zelfregulatie het doel: kinderen reguleren en sturen dan zelf hun gedrag, passend bij de eisen van de omgeving/situatie en binnen dat kader met ruimte voor eigen keuzes.

Kinderen verschillen in het tempo waarmee ze zich leren aanpassen en in de mate waarin dit socialisatieproces soepel verloopt. Opvoeders verschillen in de aanpak van gedrag. Bovendien is wat we normaal gedrag vinden subjectief. Ouders en pedagogisch medewerkers kunnen hierover van mening verschillen. Ook pedagogisch medewerkers onderling kunnen hier een andere visie over hebben. Verwachtingen van opvoeders beïnvloeden hun visie op gedrag als opvallend of normaal. Over het algemeen kunnen we stellen dat gedrag opvalt als het niet meer past bij de ontwikkelingsfase van een kind (wat een gemiddeld kind van die leeftijd laat zien).

Positieve interacties als bouwstenen

In hun ontwikkeling zijn kinderen gebaat bij positieve interacties: de bouwstenen voor een positieve relatie. Waar we dit met sommige kinderen moeiteloos bereiken zijn er ook kinderen bij wie dit een opgave is. Sommige kinderen lokken met hun gedrag veel negatieve interacties met hun pedagogisch medewerkers uit. Negatieve interacties kunnen escaleren, elkaar versterken. Het gevaar dreigt dat dit een vicieuze cirkel wordt die vaker optreedt en misschien zelfs een patroon wordt. Stress van opvoeders heeft een negatief effect op de interactiekwaliteit tussen opvoeder en kind. Met name in de heel vroege jeugd heeft dit nadelige gevolgen voor de zelfregulatieontwikkeling en daarmee ontwikkelingskansen op de lange termijn. In groepscontexten zoals de kinderopvang bestaat het gevaar dat de nadruk komt te liggen op reageren op ongewenst gedrag. Terwijl het voor alle kinderen belangrijk is om op een positieve manier regels, routines en omgangsvormen te leren.

Gedragsondersteuning op lange termijn

Hoe we omgaan met gedrag van jonge kinderen heeft consequenties. Niet alleen in het hier en nu, maar ook op de lange termijn. Juist omdat we in de dagelijkse omgang veel interacties hebben, ontstaan er patronen die inslijpen. Het transactionele model van ontwikkeling benadrukt het belang van ontwikkelingspatronen en langetermijneffecten. Opvoeders en kinderen beïnvloeden elkaar op basis van ervaringen en verwachtingen; zowel op de korte als lange termijn.

  • Kinderen die op een positieve manier ondersteund en begeleid worden in het leren van regels en routines en in hun eigen initiatieven: bouwen positieve relaties op, zijn betrokken en leren zich in sociale situaties aan te passen, hun emoties te hanteren en krijgen zelfvertrouwen.
  • Kinderen die onvoldoende begeleiding krijgen bij het leren van regels en routines en/of minder passende ondersteuning: hebben meer negatieve interacties en ontwikkelen negatieve verwachtingen ten aanzien van anderen en zichzelf. Op termijn kan dat tot gevolg hebben dat zij volwassenen of activiteiten uit de weg gaan. In sociale situaties kunnen ze zich zowel cognitief als emotioneel moeilijk aanpassen. Dat leidt tot minder goede relaties, een minder goed zelfbeeld en minder zelfvertrouwen.

Positieve gedragsondersteuning: een combinatie van groepsmanagement en positieve gedragsinterventie

Positieve gedragsondersteuning heeft oog voor zowel de verschillen tussen kinderen in gedragsontwikkeling als voor het aandeel van de omgeving. Deze benadering staat voor een groepsbrede, omvattende aanpak van gedrag. Dat gebeurt door een combinatie van groepsmanagement en positieve gedragsinterventie (nadruk op sociaal gedrag aanleren met positief geformuleerde regels). Dit gaat verder dan positief geformuleerde regels en complimenten. Gedragsregels worden ook gehandhaafd en corrigerende acties zijn soms nodig. Als een kind ook na herhaalde verzoeken blijft hangen in ongewenst gedrag, worden daaraan consequenties verbonden. Zoals een terechtwijzing, apart zetten of bewust negeren. Negeren kan alleen als het gedrag geen gevaar voor het kind of anderen oplevert.

Responsive Classroom: sensitieve en responsieve interacties

Aanvullend is de ‘Responsive Classroom’ benadering. Hierbij zorgen sensitieve en responsieve interacties voor gedragsondersteuning. Deze benadering benadrukt meer het tegemoet komen aan behoeften van (individuele) kinderen door pedagogisch medewerkers en leerkrachten in groepscontexten. De pedagogisch medewerker vertaalt dan de signalen van het kind naar behoeften. Gedrag van het kind goed begrijpen vraagt om observatie van het gedrag en de situatie waarin dit optreedt.

Samen vormen deze benaderingen een preventieve en oplossingsgerichte aanpak. Met het oog op de lange termijn wordt dan namelijk gekozen voor een structureel positieve aanpak om (sociaal) gedrag aan te leren met oog voor de eigenheid van individuele kinderen.

Responsieve groepsbenadering

Vanuit de responsieve groepsbenadering wordt het belang van responsieve interacties tussen baby’s/dreumesen en hun opvoeders benadrukt. Deze interacties beïnvloeden rechtstreeks de architectuur van het brein. Dit werkt volgens het principe van ‘serve and return’, letterlijk ‘aanbieden en teruggeven’. Denk aan tennis. Wanneer je serveert, krijg je de bal weer terug.

Zo kan ook interactie voortdurend heen en weer gaan. Professionals kunnen observeren waar de aandacht van een kind naartoe gaat. Daar reageren zij vervolgens op door er woorden aan te geven. Of door samen met het kind naar een object te kijken, of er iets mee te doen. Je neemt heel even de beurt over, en daarna geef je het kind de kans om daar weer op te reageren. Door dit samenspel worden nieuwe hersenverbindingen aangelegd die de basis vormen voor verschillende vaardigheden. Zowel sociaal-emotioneel (bijvoorbeeld het leren hanteren van emoties) als cognitief (denkontwikkeling zoals het onthouden en het leren hanteren van regels en routines).

Bij peuters en kleuters benadrukt de responsieve groepsbenadering het oog hebben voor behoeften van kinderen rond sociaal-emotioneel leren. Het ene kind kan goed non-verbale signalen van een ander lezen, maar er wellicht geen woorden voor hebben. Het andere kind kan beide, maar heeft weer vooral moeite met het aanpassen van gedrag aan de omgeving.

Zelfregulatie

Gedragsontwikkeling raakt aan sociaal-emotioneel leren: het verwerven van kennis, attitude en vaardigheden in het omgaan met zichzelf en met anderen. Zelfregulatie, als onderdeel van sociaal-emotioneel leren, kan gezien worden als de tegenhanger van gedragsproblemen. Namelijk: gedrag en emoties kunnen sturen en bijstellen, passend bij de eisen van de omgeving. Het in het onderwijs gangbare CASEL-model onderscheidt vijf aspecten aan sociaal-emotioneel leren:

  1. Besef van zichzelf: het kunnen herkennen van eigen emoties en gedachten en hun invloed op gedrag.
  2. Zelfmanagement: de vaardigheid in het effectief hanteren van emoties, gedachten en gedrag in verschillende situaties.
  3. Besef van de ander: het vermogen om perspectief te nemen en begrip te tonen voor anderen.
  4. Relaties kunnen hanteren: verwijst naar vaardigheden in het opbouwen en in stand houden van relaties.
  5. Keuzes maken: het constructief en respectvol afwegingen maken bij beslissingen (een kind maakt bijvoorbeeld de afweging: ‘vraag ik of ik mee mag doen of pak ik de bal af?’)

Bij jonge kinderen ligt de nadruk op de ontwikkeling van zelfbesef en zelfmanagement. Kinderen leren zichzelf als eenheid (‘ik’) te ervaren, emoties herkennen en onderscheiden en hun gedrag beetje bij beetje te sturen.

positieve gedragsondersteuning

Gedragsondersteuning op individueel niveau

De positieve gedragsondersteunings-benadering gaat uit van verschillen tussen kinderen. Het is een gelaagd systeem van groepsmanagement waarbij eerst aandacht uitgaat naar een goed basisklimaat, een duidelijke, consistente aanpak voor de hele groep, voordat voor specifieke kinderen een intensievere aanpak wordt gekozen.

De Responsive Classroom benadering benadrukt gedragsondersteuning door aandacht voor sociaal-emotioneel leren. Dat is naast een voorspelbare structuur en het aanleren van gewenst gedrag belangrijk.

Verder kijken dan gedrag

Gedrag is altijd een manifestatie van ‘iets’, een vraag of behoefte die een kind nog niet onder woorden kan brengen. Daarom is het belangrijk om verder te kijken dan het gedrag van jonge kinderen. Welke behoefte zit er achter het gedrag? Dat vraagt om pedagogisch medewerkers die in staat zijn de vraag achter het gedrag te ontdekken en daarop passend en tijdig te reageren (responsief). De vraag achter het gedrag goed begrijpen is niet altijd makkelijk. Waar het ene kind met diens gedrag behoefte aan beweging uitdrukt, is dat bij een ander kind wellicht behoefte aan hulp bij het remmen van het gedrag. Deze behoeftes vragen om een andere aanpak maar ook om oog te hebben voor het effect van de gekozen aanpak. Het is daarnaast belangrijk om je te realiseren dat juist bij ongewenst gedrag de pedagogisch medewerker een dubbele opdracht heeft: namelijk niet alleen de emoties en het gedrag van een kind te reguleren, maar ook haar eigen emoties en gedrag die het gedrag van het kind oproepen.

aandacht

Zo kun je de gedragsontwikkeling begeleiden

Positieve gedragsondersteuning vraagt om oog voor de context, een consistente aanpak, een goede relatie tussen pedagogisch medewerker en kind en samenwerking met ouders. 

Voorspelbare omgeving met een vaste structuur, routines en regels

Gedrag van een individueel kind is niet los te zien van de context. Zeker bij jonge kinderen is het makkelijker iets aan contextkenmerken te veranderen dan aan kenmerken van het kind. Voor het aanleren van gewenst (sociaal) gedrag is een voorspelbare omgeving met een vaste structuur en routines (rust, reinheid, regelmaat) een belangrijke voorwaarde. Belangrijk daarbij is dat er eenduidigheid is in hoe er structuur geboden is. Op de groep dienen pedagogisch medewerkers op één lijn te zitten en regels consequent te hanteren. Om tot eenduidige regels te komen is regelmatige uitwisseling en afstemming tussen pedagogisch medewerkers noodzakelijk. Daarnaast dienen zij ontvankelijk te zijn voor signalen van kinderen (sensitiviteit) en daarop tijdig en ondersteunend te reageren (responsiviteit). Daarbij is aandacht voor sociaal-emotioneel leren van jonge kinderen ondersteunend voor een goede gedragsontwikkeling.

Hechte pedagogisch medewerker-kind relatie

Naast een consistente aanpak wordt het leren van regels bevorderd door een goede relatiekwaliteit tussen kind en opvoeders. Dat doe je door te zorgen voor een hechte relatie en een warme en ondersteunende consistente begeleiding (in tegenstelling tot inconsequente en straffende begeleiding). Voor hechte relaties zijn overwegend positieve interacties nodig. Een vuistregel is om een onverhoopte negatieve interactie te ‘compenseren’ met minimaal vier positieve interacties.

Samenwerken met ouders

Kinderen zijn gebaat bij continuïteit in de aanpak die zij ervaren in verschillende contexten. Een consistente aanpak in verschillende contexten is belangrijk voor een goede gedragsontwikkeling. Zeker bij jonge kinderen in de kinderopvang is het informeren over de aanpak en samenwerking met ouders essentieel om aan die continuïteit te bouwen. Daarbij zijn positieve communicatie en een uitnodigende houding naar ouders kernelementen. Zie voor verdere informatie over samenwerking met ouders. Of voor samenwerking met ouders bij zorgen.

Tot besluit

Het is van belang om kinderen in hun (gedrags)ontwikkeling verder te helpen en te leren positieve relaties aan te gaan en positief te functioneren in een groep. Een belangrijke stap in de gedragsontwikkeling is de ontwikkeling van zelfregulatie, in feite de tegenhanger van gedragsproblemen. De ontwikkeling van zelfregulatie kan ondersteund worden door positieve controletechnieken, en door relaties die gekenmerkt worden door nabijheid en weinig conflict.


aandacht

Hoe is de werkdefinitie tot stand gekomen? 

Na een uitgebreide zoektocht naar, en screening van de literatuur naar positieve gedragsondersteuning in de context van de kinderopvang, heeft de betrokken onderzoeker een concept-werkdefinitie geformuleerd, die vervolgens is voorgelegd aan het ontwikkelteam. Na diverse gesprekken is het ontwikkelteam uiteindelijk gekomen tot de werkdefinitie zoals deze hierboven beschreven staat.



Praktijkvoorbeelden gezocht

We zijn op zoek naar aansprekende voorbeelden uit de praktijk.
Wil jij een voorbeeld uit jouw eigen praktijk aandragen?

Vul dan alsjeblieft het contactformulier in en we nemen snel contact met je op!

Voorbeeld aandragen

Ontwikkelteam | Positieve gedragsondersteuning

Pedagogisch professional
Bichou Broeren (Peutergroep de Kroevendonk)
Gertine Hogewoning (KION)
Hedwig Beutick (BLOS Kinderopvang)
Ineke Kleisen (BSO De Zeekraai)
Kim Idenburg (JongLeren)
Kimberley Speelmans (KindeRdam)
Marieke Meijer (Kindergarden)
Mariska Rensen (Floreokids)
Marit Maarse (GO! Kinderopvang)
Ruth Kiers (Kinderopvang 't Kasteel B.V.)
Tanja Hak (Kindercentrum 't Kickertje)
Tessa Zwart (Kinderopvang Baloe B.V.)
Onderzoeker
Cathy van Tuijl (Universiteit Utrecht en Saxion Hogeschool)