De basis van goede kinderopvang is een sterke relatie tussen kind en professional, zegt pedagogisch coach Morwenna Wijtvliet. In dit interview legt ze uit hoe je dat als professional voor elkaar krijgt – óók wanneer het moeizaam lijkt te gaan.
Morwenna heeft lange tijd als invalkracht in de kinderopvang gewerkt. Zo heeft ze geleerd hoe je snel een relatie opbouwt. Inmiddels is ze pedagogisch coach bij Dichtbij kinderopvang, in de regio Leerdam, Vianen en Culemborg. Ook is ze lid van het ontwikkelteam relatie kind en professional bij het Expertisecentrum Kinderopvang.
Waarom is een goede band tussen kind en professional zo belangrijk?
‘Het is de basis, wat mij betreft. Een kind moet zich veilig voelen. Alleen als kinderen zich veilig voelen, kunnen ze zich ontwikkelen. En een goede relatie met de professional heeft hier grote invloed op. Maar kinderen zijn te jong om hier de verantwoordelijkheid voor te dragen. Dus is het aan de professional om zo’n band op te bouwen.’
Hoe krijg je dat voor elkaar?
‘Nabij zijn, vooral. Goed kijken naar het kind, zodat je kunt aansluiten op de signalen die het geeft. Dan zie je bijvoorbeeld dat een kind boos in een hoekje zit en geen contact wil. Dat mag natuurlijk best, boos zijn. Maar dan zeg je: ik zit hier hoor, een paar meter van je vandaan. Zodra je er klaar voor bent, zal ik er voor je zijn.’
Doen professionals dit niet automatisch?
‘Niet altijd, je moet echt wel blijven opletten dat je beschikbaar bent. Dat je ziet wanneer kinderen iets nodig hebben. Zij kunnen dit namelijk lang niet altijd verwoorden. En ze kunnen jouw intenties ook vaak niet lezen. Daarom is het zo belangrijk om te beschrijven wat je doet en waaróm je het op die manier doet, zoals bij dat boze kind.’
Heb je nog zo’n voorbeeld?
‘Als kinderen niet aan een activiteit willen meedoen, heeft het geen zin om dat te forceren. Je kunt beter opnoemen wat ze dan wél mogen doen. Vertel wat je van ze verwacht, zodat je ook in zulke gevallen in contact blijft. Dus niet zeggen: oké, dan doe je niet mee. Maar: prima, dan doe je eerst even iets anders en kun je straks misschien nog aansluiten. Daar zit een groot verschil tussen.’
Is de ene professional hier van nature beter in dan de andere, of kun je dit ook aanleren?
‘Dat is allebei waar. Het gaat voor de een wat makkelijker dan voor de ander, maar je moet vooral ervaring opdoen. Ik heb zelf als flexmedewerker toch altijd net iets meer moeite moeten doen om vertrouwen te winnen. Kinderen gaan al snel naar een vast gezicht, dus moest ik ervoor zorgen dat ze net zo graag naar mij toe kwamen. Ook op de BSO moet je meestal wat meer moeite doen, omdat je minder tijd hebt.’
Hoe merk je dat je dit goed doet?
‘Dat merk je aan de kinderen. Ik kreeg laatst bijvoorbeeld een mooi compliment. Ik stond met mijn zoon op een hockeyveld. Een meisje zat me de hele tijd aan te kijken. Toen kwam ze met haar moeder naar mij toe. Ze kent jou, zei de moeder. Wat bleek: ik was twee jaar daarvoor een paar keer bij haar op locatie geweest. En dat wist ze nu nog steeds! Dat krijg je als je kinderen een leuke middag bezorgt: het maakt indruk. Ik zou trouwens niet eens meer weten wat ik toen precies heb gedaan. Waarschijnlijk gewoon leuk geknutseld, samen buiten gezeten, gepicknickt – het zijn vaak de kleine dingetjes.’
Wat is de reden dat je je hebt aangesloten bij het ontwikkelteam?
‘Dat kan ik eigenlijk alleen uitleggen als ik even heel persoonlijk word. Ik heb in mijn leven een aantal momenten gehad dat volwassenen mij diep teleurstelden. Juist daarom vind ik dit onderwerp zo belangrijk. Daarnaast heb ik zelf een kind met autisme en ik wil hem graag behoeden voor die teleurstelling. Een pedagogisch professional kan zóveel voor iemand betekenen. Dat gun ik ieder kind. Helaas gaat het nog vaak genoeg mis.’
Wanneer gaat het mis?
‘Als een professional een kind bijvoorbeeld in zijn allergie heeft zitten. Natuurlijk mag je iemand een keer vervelend vinden. Maar het is de taak van de volwassene om het weer goed te maken. Relatiegerichte reflectie is hierbij erg nuttig. Dan schrijf je bijvoorbeeld vijf namen op uit de groep en ga je bij jezelf na waar je als eerst aan denkt bij elke naam. Bij de een denk je aan positieve eigenschappen, bij de ander misschien aan negatieve eigenschappen. Bij die negatieve eigenschappen probeer je dat vervolgens om te draaien. Oké, een kind is druk en praat vaak door me heen. Maar wat zou een positieve uitleg kunnen zijn? Dit kind komt voor zichzelf op. Hij kropt niets op, hij durft zijn energie vrij te laten.’
Dat zou je dan eigenlijk ook moeten doen bij kinderen die überhaupt niet opvallen.
‘Precies! Als er kinderen bij zijn die niet opvallen, wat kun je als professional dan doen om hun potentie eruit te krijgen? Je kunt natuurlijk niet verwachten dat zij ineens graag op het podium staan, maar elk kind wil aandacht hebben. Dus wat is de kwaliteit van deze kinderen? Daar moet je over nadenken.’
Wanneer begint het eigenlijk, het opbouwen van een relatie?
‘Al zodra je binnenkomt, de allereerste keer. Kinderen hebben geweldige voelsprieten. Ze zijn veel intuïtiever dan wij. Die hebben het heel goed door als je nep bent, bijvoorbeeld. Als jij niet extravert bent, moet je je dus ook niet zo voordoen. Je moet wel je best doen, zeker, maar je moet geen voorstelling gaan spelen. Je moet vooral jezelf blijven. Dan verklein je de afstand tot het kind en kan het opbouwen van de relatie meteen beginnen.’