Praktijkvoorbeelden
Tools
Bronnen
Lees- en luistertips
Activiteiten
Blogs
Berichten
Overige informatie

Dorine Raats, pedagoog Humankind.

Wij noemen de kinderopvang een 'minimaatschappij'.

Dorine Raats (55) van Humankind ondersteunt pedagogisch medewerkers al dertien jaar. Dat doet ze in de regio Achterhoek. Daarnaast is ze onderdeel van het ontwikkelteam diversiteit en inclusie bij het Expertisecentrum Kinderopvang.

Diversiteit en inclusie is een wat vaag begrip voor iets wat juist makkelijk te begrijpen is, maakt Dorine in dit gesprek meteen duidelijk. ‘Altijd als ik collega’s over dit thema spreek, vragen ze eerst wat het in vredesnaam betekent,’ vertelt ze. ‘Dat komt omdat ze veel te moeilijk denken. Pas wanneer we een tijdje hebben gepraat, komen ze tot de conclusie dat ze er zelf al veel mee doen. Diversiteit en inclusie betekent simpelweg dat ieder kind telt. In het beleid staat vaak al aangegeven dat discriminatie koste wat kost moet worden voorkomen, maar dat is niet genoeg. Het is belangrijk om ook echt te zeggen: we zijn inclusief.’

Hoe pas je dit toe in de praktijk? 
‘Een heel handig instrument is de pedagogische kaart die Humankind heeft ontwikkeld. Op de kaart staat het thema en daaronder zetten we suggesties voor pedagogisch medewerkers. Onder inclusie staat bijvoorbeeld: laat kinderen zich veilig voelen door ze duidelijk te maken dat je hun thuissituatie herkent. Stel dat je kinderen in de groep hebt met gescheiden ouders. Misschien hebben ze het daar moeilijk mee. Dan kun je er boekjes over voorlezen. Zo wordt voor alle kinderen duidelijk dat sommige kinderen twee huizen hebben en twee keer op vakantie gaan, en dat ze niet altijd bij papa of mama slapen.’

Dus een kind met gescheiden ouders behoort óók tot diversiteit. 
‘Ja, mensen denken vaak aan kinderen met een kleur, maar diversiteit is veel breder dan alleen afkomst. Het gaat ook om gender, om taalontwikkeling, om kinderen met specifieke behoeften. Daarom maken we naast de pedagogische kaart ook inspiratiekaarten, met onderliggende thema’s. Op de sociaal-culturele kaart staat dan bijvoorbeeld dat er spelmateriaal gekocht kan worden vanuit allerlei verschillende culturen. Als je een winkeltje maakt voor de kinderen, leg dan ook eens couscous in de schappen. En diversiteit is niet alleen belangrijk binnen de groep, het moet ook naar buiten toe worden uitgedragen.’

Naar wie precies? 
‘Naar heel Nederland. Iedereen moet weten dat de kinderopvang inclusief is. En wat we daar allemaal voor doen. Veel mensen hebben nog steeds een beeld van kinderen die de hele dag in de zandbak spelen, maar we doen zoveel meer. En allemaal op basis van wetenschap. Dat moeten we laten zien. Aan ouders. Aan scholen. Aan iedereen.’

Want dat gebeurt nog te weinig? 
‘Ja, en met diversiteit al helemaal. Diversiteit is ook niet altijd het beste begrip om dat te bereiken. Wij noemen de kinderopvang een minimaatschappij. We zien het als een democratische oefenplaats. Het is vaak de eerste kennismaking van kinderen met de samenleving buiten het gezin. De kinderopvang speelt dus een enorm belangrijke rol. Er zijn heel veel verschillende kinderen, en die moeten zich allemaal welkom voelen. Iedereen mag zichzelf zijn, en toch moeten ze samen in een groep kunnen leven. Dát is de uitdaging. En als je het zo benadert, wordt het voor anderen ook meteen interessant.’

Moeten pedagogisch medewerkers zelf ook nog weleens worden overtuigd van het belang van dit thema? 
‘Soms wel. Maar dat is bijna altijd omdat ze zelf niet doorhebben wat ze er al mee doen. Laatst vertelde iemand me dat ze extra kleurpotloden had aangeschaft. Omdat ze de kinderen zichzelf wilde laten natekenen en er een meisje van Chinese afkomst bij was dat een net iets andere huidskleur had. Nou, dat is precíés wat inclusie inhoudt, maar dat had de professional zelf niet door. Dan hoef ik alleen nog maar te benadrukken hoe goed het al gaat.’

Je had het over wetenschappelijke inzichten. Heb je daar een concreet voorbeeld van? 
‘Sommige kinderen kunnen niet of nauwelijks Nederlands. Oekraïense kinderen bijvoorbeeld, maar eerder al Syrische en Afghaanse kinderen. We zijn geneigd om te denken: die moeten zo snel mogelijk Nederlands leren. Maar de wetenschap heeft aangetoond dat je eerst je eigen taal goed moet leren spreken voordat je een vreemde taal kan aanleren. Het is van groot belang dat pedagogisch professionals dit soort dingen weten. Want dan laten ze Oekraïense kinderen bijvoorbeeld af en toe met elkaar praten, gewoon in hun eigen taal, in plaats van dat ze meteen worden verplicht om Nederlands te proberen. Dat zijn de inzichten die we in de praktijk moeten brengen. Het is mooi als diversiteit en inclusie in het beleid wordt genoemd, maar uiteindelijk zijn het de professionals die het moeten uitvoeren.’