Van schoolthema naar betekenisvolle BSO-activiteiten
Pedagogisch professional Mulki: Voor het hele schooljaar zijn de thema’s van school bekend. Ik kijk naar welke thema’s geschikt zijn voor de BSO. De klassen hebben verschillende soorten thema’s. Groep 7 en 8 hebben dezelfde thema’s (moeilijker), groep 5 en 6 hebben hetzelfde thema, maar iets makkelijker. Op de BSO kunnen kinderen op een andere manier met het thema bezig zijn dan op school.
Mijn groep bestaat niet alleen uit kinderen van de school Het Zaanplein, maar ook van andere scholen. Deze kinderen hebben op hun school niet dezelfde thema’s als op Het Zaanplein. Op de groep zijn kinderen met veel verschillende culturele achtergronden.
Ik zorg dat ik allerlei materialen die met het thema te maken hebben op de groep heb. Ik hang posters op en haal bij de ‘BIEB op school’ boeken die te maken hebben met het thema. Een thematafel is er eigenlijk altijd standaard op de groep. Het maakt duidelijk waar we mee bezig zijn.
Op school was bijvoorbeeld het thema ‘ziekenhuis’. Ik weet wat er leeft onder de kinderen en zoek boeken uit met onderwerpen die voor hen herkenbaar zijn: boekjes over amandelen verwijderen, de tandarts, de KNO-arts, chirurg, de ambulancedienst en een boek over de anatomie van de mens. Die boeken leg ik op de thematafel neer. Dat is uitnodigend en kinderen worden nieuwsgierig. Er komen vanzelf gesprekjes op gang: ‘mijn keelamandelen zijn er ook uit’, ‘de mijne ook’, ‘moest jij ook ijsjes eten?’ ‘mijn oma had een ongeluk en moest met de ambulance mee’, ‘ik heb een keer een arm gebroken!’.
Bij het tweede tafelmoment (want bij het eerste tafelmoment komen de kinderen op verschillende momenten binnen vanwege verschillende scholen) introduceer ik het nieuwe thema. De kinderen gaan brainstormen op een groot vel papier. Ik zeg dan vooral niet wat ze moeten doen.
Kinderen gaan zelf creatief en enthousiast aan de slag
Kinderen gaan bij vragen al snel zelf op zoek naar antwoorden in de boeken of (begeleid) op internet. Belangrijk is dat kinderen hun eigen ideeën mogen uitwerken. Als ze iets willen maken, vraag ik: “hoe fixen we dat?”. Dan wordt er bijvoorbeeld door kinderen zelf op Pinterest naar ideeën gezocht om te knutselen. Vervolgens vraag ik aan de kinderen hoe we aan de spullen komen. Kinderen zeggen dan bijvoorbeeld: “mijn ouders werken in het ziekenhuis”.
De kinderen gaan zelf aan de slag met het bedenken van activiteiten. Willen ze een ambulance maken, dan maken ze deze helemaal zelf. Kinderen hebben zoveel ideeën en komen op de meest creatieve ideeën. Die verzin je zelf bijna niet. Het mooiste is als kinderen zelf iets hebben gecreëerd.
Een ander voorbeeld is de voorbereiding van de jaarlijkse cultuurdag. Iedere klas op school had een ander land. Op de BSO werd gekozen om juist alle landen te kiezen bij de achtergrond van de kinderen uit de groep. Ook dit zorgt voor herkenbaarheid bij kinderen.
Zo bedachten de kinderen uit mijn groep om vlaggen te maken van alle landen waar zijzelf of hun ouders vandaan komen. Een kind begint met het maken van vlaggen en het eindigde in een spel waarbij anderen de juiste vlag bij het juiste land moesten leggen.
Een ander kind bedacht om bordjes eten uit verschillende landen te knutselen. Er werd opgemerkt dat er geen Nederlands eten was gemaakt. Toen zei ik: “Ik heb geen idee, want ik eet geen Nederlands eten”. En al snel knutselden de kinderen bordjes boerenkool met worst.
Thema’s versterken verbinding, saamhorigheid en respect
Het doortrekken van de thema’s van school naar de 7+ BSO-groep zorgt ten eerste voor verdieping van de thema’s. Daarnaast levert het andere mooie dingen op, zoals talentontwikkeling, creativiteit, verbinding, respect en plezier.
Samenwerken aan de jaarlijkse cultuurdag leverde bijvoorbeeld saamhorigheid op voor de groep. Het maakt niet uit hoe je eruit ziet, wie je bent of uit welke cultuur je komt: je kunt altijd aardig tegen elkaar zijn. Je leert elkaar kennen en zo krijgen we respect voor elkaar.
Zo was er bijvoorbeeld een kind dat vroeg wat de Ramadan is. Ik stimuleer dan de onderlinge interactie door te vragen wie deze vraag kan beantwoorden. Het levert op dat kinderen iets durven uit te leggen in de groep, nadenken over hun identiteit en dat we allemaal verschillend zijn. Ik zie de groep ook wel als een maatschappij in het klein.
Ouders raken betrokken en helpen mee
Ik betrek de ouders door een bericht in de ouderapp te zetten. En dat leverde bijvoorbeeld ziekenhuisjasjes, operatiemutsjes en mondkapjes op, bij het thema ziekenhuis. Kinderen gaan thuis over het thema praten en stellen vragen aan hun ouders. Van de ouders krijg ik dan terug: “we moeten van alles in huis halen want ze willen ook thuis aan de slag met het maken van een ambulance”. Ook bij de cultuurdag werden ouders betrokken. Zo hing de groep vol kleding uit andere landen.
Aan het eind van het thema is er een afsluiting voor de ouders. Mijn tip: maak zichtbaar wat de BSO doet met foto’s en materialen. Dus ook buiten het lokaal, bijvoorbeeld in de hal.
Faciliterende rol voor de pedagogisch professional
Mijn rol is faciliterend: zorgen voor allerlei materialen die kinderen nodig hebben. Veel karton, zaagjes en verbindingsmaterialen zoals plakband en tape. Op school weten ze al ‘oh, dit kan de BSO wel gebruiken’. Ik overleg ook met de bovenbouwcoördinator wat de BSO binnen het thema gaat doen en wat school gaat doen. Zowel de bovenbouwcoördinator als ik vinden dit fijn werken. We delen ook spullen. Als ik bijvoorbeeld een Afrikaanse themabak heb, leen ik deze uit aan school.
Goede samenwerking en overleg met school belangrijk
Ik werk alleen met een halve groep kinderen van 7 jaar en ouder. Dit doe ik in een schoolgebouw op de eerste etage met één groep BSO waarbij ik het klaslokaal deel met school. De jongste groep BSO en Peuterspelen zijn op de begaande grond gevestigd.
Het is best een uitdaging om de ruimte te moeten delen met school. Zo wilde ik graag de gang gebruiken, zodat kinderen even zelfstandig alleen kunnen zijn om te bouwen, knutselen of praten. Dat hebben kinderen van deze leeftijd nodig. Ze weten dat ze niet luid op de gang moeten zijn, in verband met leerkrachten die aan het werk zijn en dat zij met maximaal 4 kinderen op de gang mogen.
Ook heb ik met school geregeld dat het digibord gebruikt mag worden in een ander lokaal dan de BSO. De juf van school heeft gezegd wat de kinderen erop mogen doen. Nu is er ook een ruimte waar kinderen iets mogen doen met zijn tweeën.
In een kindervergadering maken kinderen zelf afspraken hierover. Ik stelde een open vraag: “Jullie willen alleen zijn in die klas. Wie is er verantwoordelijk vandaag?”. Er wordt afgesproken dat de verantwoordelijke 2x iets zegt als iets niet mag. Kunnen ze het zelf niet oplossen, dan komen ze naar mij.
Of het nu gaat om overleg tussen mij en de school, of met/tussen de kinderen op de groep: door met elkaar te praten, kun je dingen oplossen. We werken nu eenmaal samen, dus overleg is heel belangrijk. Korte lijntjes werken daarbij het beste.