In dit artikel wordt onderzocht hoe oudere kinderen hun dagelijkse activiteiten in de Zweedse buitenschoolse opvang (fritidshem) ervaren. Het accent ligt daarbij op kinderparticipatie, het spanningsveld tussen verplichte en vrije activiteiten en wat kinderen zelf als betekenisvol of juist beperkend ervaren. Het onderzoek vond plaats door middel van kindergesprekken, observaties en veldnotities in zes centra voor buitenschoolse opvang, onder 22 leerlingen tussen 7 en 9 jaar.
Als theoretisch kader wordt Childhood Sociology gebruikt, waarin kinderen worden beschouwd als actieve deelnemers in hun eigen leefwereld.
De onderzoekers plaatsen het onderzoek binnen een breder maatschappelijk kader waarin het fritidshem steeds sterker wordt beïnvloed door curriculum-gestuurde doelen (Skolverket, 2024). Historisch gezien is het fritidshem een plek geweest voor vrije tijd, spel, sociale relaties en ontspanning. De afgelopen jaren is er een duidelijke verschuiving:
- van vrije pedagogiek → naar meer onderwijsdoelen
- van kindgestuurd → naar leerkrachtgestuurd
- van spelen → naar leren & documenteren.
Dit zorgt voor ontevredenheid en spanning, met name onder oudere kinderen, omdat zij vinden dat het fritidshem anders moet aanvoelen dan school.
Resultaten van het onderzoek:
- Kinderen willen kunnen kiezen: vrije activiteiten worden significant positiever ervaren dan verplichte activiteiten. Het fritidshem moet niet te veel op school lijken”, dat verlaagt hun plezier en betrokkenheid. Dit gebeurt als de regels te strak zijn, wanneer een activiteit individueel moet, als ze stil moeten zijn, als de activiteit geen ruimte biedt om te praten of samen te zijn.
Bijvoorbeeld: kinderen die samen een boek willen lezen, maar gescheiden en stil moeten werken. Ze voelen weerstand als ze niet begrijpen waarom iets moet. Verplichte activiteiten worden wél geaccepteerd als ze leuk en logisch zijn, of als kinderen inspraak krijgen.
- Vriendschappen zijn cruciaal: kinderen willen vrij met vrienden kunnen spelen en samen activiteiten kunnen ondernemen. Vaste klassenindeling met te veel structuur verlaagt hun welbevinden.
- Betekenisvolle activiteiten: Activiteiten worden betekenisvol wanneer ze aansluiten bij interesses en belevingswereld van de kinderen, voldoende vrijheid bieden, en ruimte geven voor samenwerking.
Bijvoorbeeld: een gezamenlijke "vingerhaak-uitdaging" werkte goed omdat het voortkwam uit wat kinderen al deden, en de volwassene aansloot in plaats van te sturen.
- Kinderparticipatie: dit ontstaat wanneer kinderen zelf activiteiten mogen bedenken, het gevoel hebben dat hun ideeën ertoe doen, verantwoordelijkheden krijgen (zoals zelf een gymles organiseren), ruimte zien om taken, regels of uitvoering te beïnvloeden. Zelfs een verplichte activiteit kan dan positief zijn.
- Verplichte activiteiten zijn oké als ze logisch zijn. Kinderen accepteren verplichtingen wanneer deze goed worden uitgelegd, aansluiten bij hun verwachtingen, betekenisvol voelen, ruimte laten voor hun agency (meebeslissen, eigen inbreng).
Conclusie:
Het welbevinden van kinderen in het fritidshem hangt af van een balans tussen autonomie (vrij kiezen, zelf bepalen) en structuur (regels, verwachtingen, geplande activiteiten) waarin begrijpelijkheid, keuzevrijheid, relaties en betekenisvolle activiteiten centraal staan. Het fritidshem functioneert het beste wanneer het geen verlengde schooldag wordt, maar een eigen pedagogische ruimte waarin kinderen actief mede‑vormgevers zijn.
