Deze internationale literatuurstudie, over de invloed van informele scholing op de veerkrachtontwikkeling bij jongeren vanaf 10 jaar, is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van SZW. Voorafgaand is een theoretisch model ontwikkeld, naar versterkende en belemmerende factoren in de veerkrachtontwikkeling van jongeren (deelonderzoek 1: Van der Zwet, Van der Sanden & Dooren-Sulsters, 2025).
Het doel is om theoretisch inzicht te krijgen in de veerkrachtontwikkeling van jongeren en de rol van informele scholing hierin, om de overheid, (informele) onderwijsinstellingen en de samenleving praktische handvatten te bieden. In dit tweede deelonderzoek is onderzocht welke versterkende en belemmerende factoren van veerkrachtontwikkeling (uit dat theoretisch model) worden toegepast bij (zeven vormen van) informele scholing. Deze uitwerking concentreert zich op naschoolse activiteiten, waaronder de BSO.
Veerkrachtversterkende factoren
In het onderzoek wordt veerkracht niet enkel gezien als een persoonskenmerk maar als een dynamisch proces dat wordt beïnvloed door verschillende factoren op zowel individueel, collectief als maatschappelijk niveau. Er zijn 19 buitenlandse studies gevonden (waarvan 3 Nederlandse) die zicht geven op veerkrachtversterkende factoren bij naschoolse activiteiten.
• Op individueel niveau: zelfregulatie, positieve zelfperceptie (o.a. zelfvertrouwen), cognitieve vaardigheden en empathie.
- Op collectief niveau: relatie met ouders/verzorgers, peer support, toegang tot sociale steun en bronnen, gemeenschapscohesie en informele sociale controle, aanwezigheid van een mentor en beschikbaarheid van gekwalificeerde professionals voor steun en advies.
- Op maatschappelijk niveau:het aangaan van duurzame samenwerkingen omaanbod te verrijken en het streven naar een sociale en inclusieve samenleving,
Conclusie: er zijn aanwijzingen dat informele scholing, dus ook de BSO, door verschillende veerkrachtversterkende factoren positief van invloed kan zijn op de veerkrachtontwikkeling van tieners.
Belangrijkste aanbevelingen:
1. Belang van gekwalificeerd personeel met aandacht voor het ontwikkelen van het specifieke pedagogisch-didactisch handelen in naschoolse praktijken.
2. Belang van samenwerking met regulier/formeel onderwijs en andere partners: informele scholing lijkt vaak geen structurele samenwerkpositie te hebben in het lokale ondersteuningsaanbod. Elkaar leren kennen en op de hoogte zijn van elkaars aanbod is cruciaal. Ontmoeting en overleg zal gefaciliteerd moeten worden, om te verkennen wat organisaties samen kunnen betekenen voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren.
3. Belang van empirisch onderzoek naar informele scholing en veerkrachtontwikkeling van jongeren in Nederland, in samenspraak met diverse aanbieders van informele scholing.
