Onderzoek laat zien dat de vroege opvoeding belangrijk is voor executieve functies. De vraag is of omstandigheden tijdens de zwangerschap daar nog extra invloed op hebben, naast de invloeden na de geboorte.
In dit onderzoek werden ruim 1200 kinderen en hun moeders gevolgd. Twee maanden na de bevalling vulden de moeders een vragenlijst in over prenatale risicofactoren zoals hun emotionele gesteldheid tijdens de zwangerschap, obstetrische problemen, hun gewicht tijdens zwangerschap en gegevens over het kind: laag geboortegewicht en prematuriteit.
Moeders en hun kinderen werden op 6 en 15 maanden gefilmd tijdens een vrij spel moment en op 24 en 36 maanden tijdens een puzzeltaak. Bij de kinderen werd op 15 maanden de Bayley schaal afgenomen die een mentale ontwikkelingsindex oplevert als maat voor cognitieve vaardigheid. Op 36 maanden werden verschillende EF-taken afgenomen: twee werkgeheugen taken, drie inhibitietaken en een taak voor aandacht verschuiven. De scores op deze taken werden gemiddeld. Daarnaast werden twee IQ taken (passieve woordenschat en blokpatronen) afgenomen.
Resultaten geven aan dat er geen direct effect is van prenatale risicofactoren op EF of IQ op 3-jarige leeftijd. Er is wel een indirect klein effect van prenatale risicofactoren op de cognitieve vaardigheden op 15 maanden en die is weer voorspellend voor EF en IQ op 3-jarige leeftijd. Deze effecten waren grotendeels onafhankelijk van de kwaliteit van de opvoedomgeving. De uitkomsten bevestigen het idee van een cascade model: blootstelling aan prenatale risico’s kunnen een waterval aan ontwikkelingsproblemen opleveren. In deze specifieke studie gaat het om de samenhang van prenatale risico’s met minder cognitieve vaardigheden op 15 maanden en via die weg met minder ontwikkeling van executieve functies.
Mogelijke mechanismen die deze relaties kunnen verklaren zijn verandering in de neurale structuren en functies bij laaggeboortegewicht kinderen of bij prenatale stress bij de moeder. Daarnaast kunnen gedragskenmerken van pasgeborenen die bloot hebben gestaan aan prenatale risico’s de mogelijkheid tot sensitief responsieve uitwisselingen van opvoeders verhinderen, waarvan bekend is dat ze bijdragen aan cognitieve ontwikkeling. Denk aan huilgedrag of snel overprikkeld raken bij face-to-face contact. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen of het bevorderen van de cognitieve ontwikkeling van kinderen die zijn blootgesteld aan prenatale risico’s de opeenvolging van effecten van die blootstelling op EF en IQ kan doorbreken.
Voor de kinderopvang laat dit onderzoek zien dat het waardevol kan zijn om bij de intake met ouders stil te staan bij de vroege ontwikkeling en omstandigheden van het kind, omdat deze van invloed kunnen zijn op de latere cognitieve ontwikkeling en executieve functies.
