WETENSCHAPPELIJKE BRON
Onderwerp: Executieve functies | Publicatiedatum: 2026

Kern

Welke factoren voorspellen de ontwikkeling van executieve functies (EF) bij jonge kinderen? In deze Zwitserse studie werden 555 kinderen van 2 tot 6 jaar uit 84 kinderopvangcentra een jaar gevolgd. Onderzoekers bekeken 20 mogelijke voorspellers, waaronder kenmerken van het kind, de gezinssituatie en de opvoedomgeving.  Samen verklaarden deze factoren bijna een derde van de verschillen in EF tussen kinderen. De sterkste voorspeller van latere EF was het niveau van EF aan het begin van het onderzoek. Daarnaast hingen fijne motoriek, visuele waarneming, sociaaleconomische status en sekse samen met EF een jaar later, al waren deze verbanden beperkt.  De resultaten laten zien dat zowel kenmerken van het kind als de sociaaleconomische situatie van het gezin belangrijk zijn voor de ontwikkeling van EF. Kinderen uit gezinnen met een lagere sociaaleconomische status lopen mogelijk meer risico op minder goed ontwikkelde EF. Het vroeg stimuleren van fijne motoriek kan de ontwikkeling van EF ondersteunen. 

In welke mate en waardoor zijn Executieve Functies (EF) te voorspellen bij jonge kinderen? Deze Zwitserse studie onderzocht zowel kenmerken van het kind zelf als factoren in de omgeving die samenhangen met EF. Aan het onderzoek namen ruim 550 kinderen van 2 tot 6 jaar deel (gemiddelde leeftijd 3,9 jaar). De kinderen waren afkomstig uit 84 kinderopvangcentra en maakten deel uit van de gezondheidsstudie SPLASHY. Op basis van eerder onderzoek werden mogelijke voorspellers uit verschillende domeinen meegenomen, zoals demografische, biologische, psychologische en sociale factoren.

In totaal werden 20 mogelijke voorspellers beoordeeld bij de eerste meting (T1). Deze omvatten sociaaleconomische status en zeven biologische voorspellers, zoals vroeggeboorte en motorische vaardigheden; zes psychologische voorspellers, zoals hyperactiviteit, visuele waarneming en Executieve Functies (gemiddelde van selectieve aandacht, zelfregulatie en visueel-ruimtelijk werkgeheugen); en zes interpersoonlijke voorspellers, zoals opvoedstijl en stress van ouders. De voorspellende waarde van deze variabelen op EF’s een jaar later (T2) werden beoordeeld.

Alle voorspellers samen verklaarden bijna een derde van de verschillen in EF's. EF op tijdstip 1 had een middelgroot voorspellende waarde voor EF een jaar later (T2). Dus vroege EF voorspelt latere EF. Daarnaast waren fijne motoriek, visuele waarneming (plaatjes van potloden op grootte ordenen), sociaaleconomische status en sekse (meisjes deden het beter dan jongens) voorspellend voor EF's op T2, met kleine effectgroottes.

Factoren die EF's op kleuterleeftijd het meest kunnen voorspellen zijn vroege EF en kindvariabelen als fijne motoriek en visuele waarneming maar ook sociaaleconomische status. Dat laatste is overeenkomstig eerdere studies. Sociaaleconomische status meet opleiding- en inkomensniveau maar is gerelateerd aan de kwaliteit van de thuisomgeving zoals vroegkinderlijke stimulering, ervaringen en stress. Kinderen die opgroeien in gezinnen met een lage sociaaleconomische status lopen daardoor een groter risico op een minder sterke ontwikkeling van executieve functies.

De resultaten van kindkenmerken die EF voorspellen, zoals fijnmotorische vaardigheden en visuele waarneming, komen eveneens overeen met bevindingen uit eerdere studies. Het stimuleren van fijne motoriek en visuele waarneming vroeg in het leven kan mogelijk de ontwikkeling van EF's ondersteunen.

Anders dan verwacht werd geen bewijs gevonden dat opvoeding een rol speelt in EF-ontwikkeling. De onderzoekers wijzen erop dat de ouders in de onderzoeksgroep weinig van elkaar verschilden. Ze rapporteerden weinig inconsistente of negatieve opvoeding, weinig opvoedingsstress en over het algemeen positieve opvoedpraktijken. Dat gebrek aan verschillen tussen ouders maakt het lastig om een effect van opvoeding op EF te vinden.