Ouderlijk gedrag kan de ontwikkeling van executieve functies (EF) tijdens de vroege kindertijd beïnvloeden.
Executieve functies zijn belangrijk omdat ze dienen als algemene bouwstenen voor latere gedrag en academische prestaties. In dit onderzoek stonden de volgende vragen centraal:
Hoe sterk is de samenhang tussen ouderlijk gedrag en EF van kinderen? Meer specifiek: welke ouderlijke gedragingen hangen het sterkst samen met EF van kinderen? Ook is de vraag of er een kritieke periode in de vroege kindertijd is waarin ouderlijk gedrag invloedrijker is.
Daarom werd er een meta-analyse (onderzoek dat gebruik maakt van uitkomsten van eerdere onderzoeken) uitgevoerd om de sterkte van de relatie tussen verschillende ouderlijke gedragingen en EF in kinderen van 1,5 tot 8 jaar te bepalen.
Het onderzoek werd verricht op basis van 42 studies die tussen 2000 en 2016 zijn gepubliceerd, met gemiddeld 13 maanden tussen de meting van ouderlijk gedrag en EF van het kind. In deze studies werd in ruim 11.500 gezinnen onderzoek gedaan. De kinderen waren gemiddeld 45 maanden oud. In de meta-analyse werd ouderlijk gedrag in drie categorieën verdeeld. Zaken als warmte, responsiviteit en sensitiviteit werden als positief ouderlijk gedrag gecategoriseerd. Van negatief ouderlijk gedrag was sprake bij controle, opdringerigheid of onthechting. Cognitief ouderlijk gedrag verwees naar autonomie-ondersteuning, scaffolding (geven van hints), en taal-denk stimulatie. De auteurs wijzen er op dat positief en negatief gedrag matig samenhangen maar elkaar niet uitsluiten. Ofwel sommige opvoeders laten zowel positief als negatief opvoedgedrag zien. Daarom is het goed beide vormen van ouderlijk gedrag te meten. De meeste studies gebruikten een samengestelde score voor EF op basis van de componenten werkgeheugen, cognitieve flexibiliteit en impulscontrole.
De resultaten toonden significante matige verbanden aan tussen positief, negatief en cognitief ouderlijk gedrag en samengestelde EF van kinderen. Meer positief ouderlijk gedrag hing samen met iets betere EF bij kinderen terwijl meer negatief ouderlijk gedrag samenhing met iets minder goede EF. Meer cognitief ouderlijk gedrag, dus meer uitleg en samen probleem oplossen, hing samen met iets beter EF bij kinderen. Deze uitkomsten bevestigen wat eerder uit afzonderlijke onderzoeken bleek, namelijk dat een positief en qua instructie stimulerend opvoedingsklimaat bijdraagt aan de ontwikkeling van executieve functies. Dwingende controle en minder autonomie voor kinderen werkt juist negatief in op EF-ontwikkeling van jonge kinderen. Ook voor de kinderopvang is dit een belangrijk aandachtspunt.
Voor de samenhang van ouderlijk gedrag met afzonderlijke EF-onderdelen werden de sterkste samenhangen gevonden voor positief en cognitief ouderlijk gedrag met werkgeheugen. Sowieso hing cognitief ouderlijk gedrag iets sterker met impulscontrole, werkgeheugen en cognitieve flexibiliteit samen dan positief en negatief ouderlijk gedrag. Voor negatief ouderlijk gedrag was het alleen mogelijk de relatie met impulscontrole vast te stellen: bij meer negatief ouderlijk gedrag zijn kinderen iets minder in staat tot impulscontrole.
Alleen de samenhang tussen cognitief ouderlijk gedrag en EF verschilde iets naar de leeftijd van het kind. Voor jongere kinderen is het verband tussen cognitief ondersteunend gedrag van ouders en EF iets sterker dan voor oudere kinderen. De samenhang van positieve en negatieve ouderlijke gedragingen met EF’s verschilde niet significant tussen kinderen van verschillende leeftijden.
In het licht van deze bevindingen is te verwachten dat positief ondersteunend en uitleggend gedrag van pedagogisch professionals bijdraagt aan de ontwikkeling van executieve functies. Vroege kinderjaren zijn mogelijk een cruciale periode waarin met name taal-denk stimulering en autonomie-ondersteuning bijzonder invloedrijk zijn.
