WETENSCHAPPELIJKE BRON
Onderwerp: Executieve functies | Publicatiedatum: 2026

Kern

Slechte executieve functies (EF) hangen samen met probleemgedrag in de peuterjaren. Dit wijst op de wisselwerking tussen cognitie en emotie die al heel vroeg in het leven begint. Echter, weinig studies waarbij peuters gevolgd zijn over tijd hebben directe metingen van zowel EF als emotieregulatie opgenomen. Veel studies leunen daarnaast op laboratoriumwaarnemingen van moeder-kind-paren terwijl juist bij emotieregulatie situationele contexten een belangrijke rol spelen. De huidige studie heeft bij 197 gezinnen op video-gebaseerde beoordelingen van emotieregulatie opgenomen bij spel van peuters met zowel moeders als vaders op twee tijdstippen (14 en 24 maanden), naast metingen van EF bij elk huisbezoek. Als we jonge kinderen kunnen helpen om hun aandacht te verschuiven (cognitieve flexibiliteit), dan bevordert dit wellicht de vaardigheid van kinderen om zichzelf af te leiden als middel om negatieve emoties te reguleren. Vroege interventies om EF te bevorderen kunnen zo ook bijdragen aan emotieregulatie.

Slechte executieve functies (EF) hangen samen met probleemgedrag in de peuterjaren. De samenhang tussen vroege EF en probleemgedrag wijst op de wisselwerking tussen cognitie en emotie (een korte, krachtige lichamelijke reactie op een gebeurtenis), die al heel vroeg in het leven begint. Een belangrijke component van emotieregulatie is het afbouwen of beperken van zichtbare negatieve emoties. De vraag in dit onderzoek is of vroege EF en emotieregulatie elkaar beïnvloeden. Tot nu toe zijn er weinig studies waarbij peuters gevolgd zijn over tijd en waarbij zowel EF als emotieregulatie direct gemeten zijn. Veel studies leunen daarnaast op laboratoriumwaarnemingen van moeder-kindparen terwijl juist bij emotieregulatie situationele contexten een belangrijke rol spelen.

In de huidige studie zijn video-opnames bij 197 gezinnen thuis gemaakt tijdens spel van jonge peuters met hun moeder en hun vader, En wel op twee tijdstippen: met 14 en 24 maanden. Op basis van de video-opnames tijdens spel werd emotieregulatie beoordeeld, naast metingen van EF met specifieke taken bij elk huisbezoek. Om emotieregulatie te meten, werden kinderen eerst kort gefrustreerd doordat zij een aantrekkelijk speeltje twee minuten niet mochten aanraken. Daarna mochten zij er even mee spelen. Vervolgens werd tijdens vier minuten vrij gespeeld met speelgoed naar keuze. Tijdens het vrije spel observeerden de onderzoekers hoeveel negatieve emoties de kinderen nog lieten zien. Dit gaf een indruk van hoe goed zij hun emoties konden reguleren. Tijdens deze laatste fase werd emotieregulatie gemeten aan de hand van negatieve emoties zoals fronsen of huilen (op een 7-puntschaal). EF werd gemeten met een impulscontroletaak en een zoektaak waarbij de scores werden gecombineerd per meetmoment.

EF op 14 maanden voorspelde emotieregulatie op 24 maanden bij spelobservaties van peuters met moeders maar niet met vaders. Emotieregulatie op 14 maanden voorspelde geen EF op 24 maanden. Als we jonge kinderen kunnen helpen om hun aandacht te verschuiven (cognitieve flexibiliteit), dan bevordert dit wellicht de vaardigheid van kinderen om zichzelf af te leiden als middel om negatieve emoties te reguleren. Vroege interventies om EF te bevorderen kunnen zo ook bijdragen aan emotieregulatie.

In deze studie waren moeders de belangrijkste opvoeders. Daarom werd ervan uitgegaan dat zij hun kind het beste kennen en het daardoor beter kunnen ondersteunen bij het leren reguleren van emoties (co-regulatie). Dit komt overeen met de resultaten: de samenhang tussen executieve functies en emotieregulatie was sterker bij moeders dan bij vaders.

Deze bevinding laat zien dat emotieregulatie niet alleen een eigenschap van het kind is, maar ook samenhangt met de kwaliteit van de relatie tussen het kind en de ouder of verzorger.

De bevindingen ondersteunen het idee dat jonge kinderen hun emoties leren reguleren met hulp (co-regulatie) van ouders of pedagogisch professionals die hen goed kennen. Daarnaast laten de resultaten zien dat aandacht van opvoeders voor de ontwikkeling van executieve functies kinderen kan helpen om hun emoties te reguleren.