Hoewel Willoughby en Hudson (2023) ervan uitgaan dat EF- en motorische ontwikkeling elkaar wederzijds beïnvloeden was hun vraag in deze reviewstudie of EF daadwerkelijk ondersteund wordt door verhoging van de duur of intensiteit van fysieke activiteit bij jonge kinderen.
In hun reviewstudie blijkt dat het bewijs daarvoor zeer zwak is. Wel is het zo dat met het oefenen van motorische vaardigheden kinderen een reeks doelgerichte activiteiten uitvoeren die de ontwikkeling van EF-vaardigheden ondersteunen. Kinderen die leren om een bal te van rollen, een vork te hanteren of zelf een hemd aan te trekken moeten hun aandacht vasthouden en een volgorde van handelingen volgen om deze taak tot een goed einde te brengen. Dat vraagt om gerichte volgehouden aandacht, werkgeheugen en wellicht ook om inhibitie van reacties op andere prikkels om hen heen. Het ondersteunen van de motorische ontwikkeling is daarom belangrijker voor de EF-ontwikkeling dan de hoeveelheid fysieke activiteiten.
De sterkte van de relatie tussen motorische en EF-vaardigheden tussen de studies verschilt en dat leidt tot de stelling dat de moeilijkheidsgraad van de motorische taak een rol speelt. Waar nieuwe motorische taken worden uitgevoerd is de relatie van motorische vaardigheden met EF sterker dan bij vaardigheden die al geautomatiseerd zijn: in het laatste geval wordt er geen of minder beroep gedaan op EF-vaardigheden. De onderzoekers zien hun stelling ondersteund door eerder onderzoek waarbij moeilijke motorische taken meer beroep doen op aandacht en cognitieve hulpbronnen dan makkelijke taken. Dit gold vooral voor grofmotorische taken en minder voor fijnmotorische taken. De verklaring voor dit verschil is dat voor heel jonge kinderen fijnmotorische taken bijna allemaal moeilijk zijn.
Een andere conclusie uit dit onderzoek is dat kinderen in de vroege jeugdjaren motorische vaardigheden in leeftijdsadequate spel- en fysieke activiteiten ontwikkelen. Kinderen die meer fysiek actief zijn tonen ook meer fundamentele motorische vaardigheden. Maar het is de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden die bepaalt of kinderen betrokken zijn bij en plezier beleven aan fysieke activiteiten. Kinderen met goede motorische vaardigheden zullen meer plezier aan fysieke activiteiten beleven dan kinderen met minder goede motorische vaardigheden,
Voor professionals in de kinderopvang is het van belang te beseffen dat motorische ontwikkeling afhankelijk is van ervaringen: motorische vaardigheden ontwikkelen zich niet automatisch. Vroege motorische vaardigheden resulteren in de mogelijkheden van een kind om betrokken te zijn bij en deel te nemen aan fysieke activiteiten. Daarom zou zowel aan motorische ontwikkeling als aan fysieke activiteiten aandacht besteed moeten worden, mits de fysieke activiteiten cognitief uitdagend zijn. Dat vraagt van professionals dat ze breed moeten nadenken over mogelijkheden of activiteiten die bijdragen aan de motorische ontwikkeling en die tevens bijdragen aan EF-ontwikkeling. Denk aan liedjes gekoppeld aan bewegingsactiviteiten die een beroep doen op aandacht en werkgeheugen. Kortom: het is belangrijk aandacht te besteden aan het verwerven van motorische vaardigheden: die dragen niet alleen bij motorische ontwikkeling maar indirect ook aan EF-ontwikkeling.
