WETENSCHAPPELIJKE BRON
Onderwerp: Executieve functies | Publicatiedatum: 2026

Kern

In dit onderzoek werd de wisselwerking tussen ouderlijke responsiviteit en executieve functies (EF) onderzocht bij ruim 500 peuters uit gezinnen met een sociaal-economische achterstand, voornamelijk met Spaanstalige achtergrond. Ouders en kinderen werden twee keer gefilmd tijdens vrij spel, met zes maanden tussen de metingen. Daarnaast voerden de kinderen taken uit die inzicht gaven in uitstel van behoeftebevrediging en cognitieve flexibiliteit. Resultaten laten zien dat kinderen van responsieve ouders meer vooruitgang boekten in beide EF-vaardigheden dan kinderen van minder responsieve ouders. Daarnaast bleek dat kinderen die aanvankelijk beter waren in het uitstellen van behoeftebevrediging, zes maanden later ouders hadden die responsiever reageerden. Omgekeerd waren ouders van kinderen die hier meer moeite mee hadden later minder responsief. De bevindingen wijzen op wederzijdse beïnvloeding tussen ouderlijke responsiviteit en EF, maar alleen voor uitstel van behoeftebevrediging. Responsieve opvoeding ondersteunt de ontwikkeling van EF, terwijl het gedrag van kinderen ook invloed heeft op ouderlijk handelen.

De ontwikkeling van executieve functies (EF) in de vroege kinderjaren verloopt snel. Opvoedkwaliteit, met name responsiviteit van opvoeders, lijkt de ontwikkeling van EF te vergemakkelijken. De vraag is in hoeverre EF van het kind de responsiviteit van de opvoeder beïnvloedt. In geval van verstorend gedrag zijn er aanwijzingen voor wederkerige invloeden tussen kind en opvoedersgedrag. Zijn er ook wederkerige relaties tussen de EF van het kind en responsiviteit van de opvoeder?

Kinderen (van gemiddeld 4,5 jaar) en hun ouders werden op twee momenten (met 6,5 maand tussenpauze) tijdens vrij spel gefilmd. Ouderlijk gedrag werd gescoord op drie aspecten: ouderlijke warme acceptatie, direct reageren op signalen (contingente responsiviteit) en verbale ondersteuning (scaffolding) en deze aspecten werden gecombineerd tot één score.

In deze studie werden twee aspecten van executieve functies (EF) onderzocht. Het eerste aspect was uitstel van behoeftebevrediging: het vermogen om een directe reactie te onderdrukken en impulsen te beheersen met het oog op een beloning. Dit wordt ook wel ‘hot EF’ genoemd, omdat emoties hierbij een rol spelen.

Het tweede aspect was conflict-EF. Hierbij gaat het om het vermogen om een automatische reactie te onderdrukken en in plaats daarvan een andere, soms tegenstrijdige, reactie te geven. Tegelijkertijd moet informatie actief in het werkgeheugen worden vastgehouden. Omdat deze taken geen beloning bevatten en emotioneel neutraal zijn, worden ze aangeduid als ‘cool EF’. Een voorbeeld van een conflict-EF-taak is een spel waarbij een kind opdrachten krijgt van een beer en een draak, maar alleen de opdrachten van de beer mag uitvoeren.

Het lijkt erop dat hot EF en cool EF zich verschillend ontwikkelen en daardoor verschillend samenhangen met sociaal-emotionele en cognitieve uitkomsten. Resultaten laten zien dat, na correctie voor onder andere leeftijd en het geslacht van het kind, de responsiviteit van de opvoeder op Tijdstip 1 (T1) (zwak) positief samenhangt met groei in uitstel van behoeftebevrediging en met groei in conflict-EF op Tijdstip 2 (T2).

Er zijn twee mogelijke verklaringen voor deze positieve samenhang: Responsiviteit van de opvoeder is gekoppeld aan een veilige hechting en exploratiemogelijkheden voor het kind: zo kan het kind oefenen met EF-situaties en taken. Een tweede verklaring is meer neurologisch: de responsiviteit van de opvoeder ondersteunt het fysiologische stress-responssysteem van het kind; dat reduceert de stress die het kind ervaart, wat de ontwikkeling van EF ten goede komt. De beperkte sterkte van samenhang toont dat er ook andere factoren een rol spelen. En wellicht is de invloed van responsiviteit sterker in de eerste levensjaren dan op 4-jarige leeftijd.

De resultaten laten zien dat de invloed tussen opvoeders en kinderen deels twee kanten op werkt. Responsieve opvoeders helpen kinderen bij de ontwikkeling van executieve functies. Tegelijkertijd heeft uitstel van behoeftebevrediging van kinderen ook invloed op hoe opvoeders reageren. Kinderen die beter konden wachten op een beloning, hadden zes maanden later ouders die responsiever reageerden. Minder uitstel van behoeftebevrediging bij het kind op T1 daarentegen, kan meer controlerend of dwingend gedrag van de opvoeder uitlokken en minder warmte.

Conflict-EF op T1 geeft geen invloed op responsiviteit op T2. Mogelijk komt dit doordat het vermogen van het kind om te wachten op een beloning in het dagelijks leven duidelijk zichtbaar is voor en emoties oproept bij opvoeders, terwijl conflict-EF minder zichtbaar is in de interactie tussen opvoeder en kind.

De invloed van ouderlijke responsiviteit op de ontwikkeling van executieve functies bleek sterker dan de invloed van executieve functies op ouderlijke responsiviteit. Dit suggereert dat het versterken van de responsiviteit van opvoeders een belangrijke manier kan zijn om de ontwikkeling van executieve functies te ondersteunen. Vooral voor kinderen die opgroeien in gezinnen met beperkte sociaaleconomische middelen lijkt dit veelbelovend.