Wie vaker meet met PiB, ziet kwaliteit groeien

In 2025 werd bijna 6.500 keer een groep beoordeeld met PiB, het instrument om pedagogische kwaliteit te meten. Al die metingen samen vormen een schat aan informatie, en Erik Jan de Wilde is daarin gedoken. Wat zijn de opvallendste inzichten?

PiB (Pedagogische Praktijk in Beeld) bestaat alweer vijf jaar bij het Expertisecentrum Kinderopvang. Erik Jan is er als onderzoeker en ontwikkelaar vanaf de start bij betrokken.

Toch even kort: wat is PiB precies?

Erik Jan: ‘Met PiB kun je zelf de pedagogische kwaliteit op de groep in kaart brengen: wat al goed gaat, wat beter kan. Hierdoor worden pedagogisch professionals – én de mensen die hen coachen – zich bewuster van wat kwalitatief goede kinderopvang precies is. Dan gaat het bijvoorbeeld om de manier waarop kinderen worden bejegend, of ze de ruimte krijgen om te doen wat goed voor ze is, of ze zich veilig voelen. Dat zijn dingen die je niet zomaar even beoordeelt, maar waarvoor je echt goed moet kijken. PiB helpt daarbij.’

(Als je meer wil weten over gebruik van PiB, is dit artikel een aanrader.)

Welke pedagogische doelen worden er gemeten, en wat scoort hoog en wat blijft achter?

‘Wij gebruiken het model van de bekende pedagoog Marianne Riksen-Walraven en het NCKO-kader, van het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek, met vijf doelen: emotionele veiligheid, persoonlijke competentie, sociale competentie, normen en waarden, en kwaliteit van de leefomgeving. Emotionele veiligheid wordt steevast het vaakst en ook het best beoordeeld, ook nu weer. Dat is mooi, want pedagogen zeggen altijd: als dat niet goed zit, dan kun je de rest wel vergeten. Wat minder goed scoort is de kwaliteit van de leefomgeving, dus de inrichting, materialen, of het speelgoed up-to-date is. Vaak komt dat door geldgebrek. Daarnaast denken we dat het in het gesprek met een professional makkelijker is om kritisch te zijn op de omgeving dan op het pedagogisch handelen zelf. Dat zal ook meespelen.’

Peutergroepen scoren gemiddeld beter dan kinderdagverblijven en BSO’s, blijkt uit de cijfers. Hoe komt dat?

‘Ik ben zelf psycholoog, geen pedagoog, dus met een slag om de arm: tussen twee en vier jaar gebeurt er natuurlijk heel veel. Peuters gaan op ontdekking, vormen relaties met andere kinderen. Een pedagogisch professional kan daar veel in betekenen. Zij vinden het vaak ook een leuke leeftijd om mee te werken. En het is de fase van voorbereiding op de basisschool, dus het is makkelijk om doelen voor jezelf te stellen, als professional. Bij baby’s is die mogelijkheid wat minder expliciet, en op de BSO doen kinderen al meer op zichzelf.’

Met PiB worden ook interactievaardigheden gemeten. Wat kun je daarover zeggen?

‘We kijken naar drie aspecten. Ten eerste emotionele kwaliteit van de professional: ben je responsief, kun je een positieve sfeer creëren, bied je structuur? Op dat onderdeel komt sensitieve responsiviteit er als beste uit; aanvoelen wat een kind individueel nodig heeft en daarop reageren. Ten tweede educatieve kwaliteit: in hoeverre stimuleer je de brede ontwikkeling van kinderen? Daarbij valt het onderdeel ontwikkelingsstimulering positief op: professionals laten kinderen niet alleen doen wat ze al kunnen, maar laten ze ook iets nieuws proberen. En als derde resultaat: kinduitkomstmaten; hoe is het welbevinden van kinderen op de groep? Dat scoort echt heel hoog: een 3,4 op een schaal van 1 tot 4. Dat is van álle aspecten van het hele instrument de hoogste score. Kinderen voelen zich dus erg goed op de groepen waar met PiB wordt gewerkt.’

En wat scoort minder goed?

‘Wat beter kan, is het onderdeel praten en uitleggen. Dat scoort als enige net onder de 3; 2,99. Dat betekent dat een professional bijvoorbeeld wel vertelt wát er moet gebeuren, maar vervolgens niet altijd uitlegt waaróm dat moet gebeuren. Maar de algemene conclusie is dat het met de interactievaardigheden vrij goed zit.’

Er deden dit jaar ook twee onderwijsorganisaties mee. Viel daarbij iets op?

‘Het zijn integrale kindcentra, dus organisaties waar kinderopvang en primair onderwijs intensief samenwerken. Het patroon is grotendeels hetzelfde als in de kinderopvang: dezelfde aspecten scoren hoog, dezelfde wat lager. Wel beoordelen de scholen zichzelf over het algemeen iets beter. Maar daar zijn we voorzichtig mee, want twee organisaties zijn niet genoeg om grote uitspraken te doen. We willen eerst meer data. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat in het primair onderwijs veel meer tijd met kinderen wordt doorgebracht. Er is meer zicht op hun persoonlijke ontwikkeling. Tegelijkertijd is pedagogische kwaliteit juist de core business van de kinderopvang. Belangrijker dan het verschil tussen de kinderopvang en onderwijs vind ik dat ze nu in dezelfde taal over kwaliteit kunnen spreken. Dat is grote winst voor de overgang van kinderopvang naar school en het gesprek tussen beide sectoren.’

Er is iets bijzonders te melden over organisaties die al meerdere jaren monitoren.

‘Ja, we hebben dit jaar voor het eerst een wat diepere analyse gedaan over alle jaren. Daarin legden we groepen die één of twee keer zijn beoordeeld naast groepen die drie keer of vaker zijn beoordeeld, corrigerend voor de trend over de jaren heen. Wat blijkt: vaker meten heeft een positief effect – in elk geval op emotionele veiligheid en kwaliteit van de leefomgeving. Ook zien we dat groepen die in 2025 en in 2024 zijn beoordeeld, dus twee keer op rij, op alle aspecten vooruit zijn gegaan. Het is geen wereldschokkende groei hoor, maar wel positief. En dit bevestigt waar we steeds op hameren: blijf observeren, blijf in gesprek met de professional. Dat is de beste manier om de kwaliteit te verbeteren.’

Wat staat er voor 2026 op de planning?

‘We werken aan een verkorte versie van PiB, daar is veel vraag naar. Dat doen we niet door items simpelweg te verwijderen, maar door het instrument dynamisch te maken: op grond van gegeven antwoorden bepalen we welke vragen daar nog iets aan toe kunnen voegen om een bepaald doel vast te stellen en welke we kunnen overslaan. Hiervoor sturen we deze zomer een vragenlijst rond onder gebruikers, om te kijken welke items zij het meest waardevol vinden. Want soms is een item dat vrijwel altijd hoog scoort toch nuttig, omdat er een goed gesprek over ontstaat. Verder zijn we bezig met een mobiele versie van PiB, zodat je ook via een app kunt observeren. En we werken aan een module waarmee je binnen één organisatie twee locaties kunt vergelijken, zodat zij ook daar weer het gesprek over kunnen voeren.’

Wat vind je zelf de belangrijkste les van PiB?

‘Dat we kwaliteit moeten koesteren. Bij iedere locatie, op elke groep is er wel iets om aandacht te geven. Perfecte groepen bestaan niet, dat zou ook nooit het uitgangspunt moeten zijn. Het gesprek rond PiB begint altijd met wat er goed gaat, en daarna kijk je waar nog winst te behalen valt, en hoe de professional daarin kan worden ondersteund. Dát is waarom jaarlijks monitoren werkt: omdat het gesprek blijft terugkeren.’

Je kunt het jaarbeeld PiB 2025 hier zelf doornemen.

Kernwoorden

Deze blog sluit aan bij

Nieuwsbrief

Registreer jezelf gratis en blijf op de hoogte van het laatste nieuws via onze nieuwsbrieven

Inschrijven nieuwsbrief
Bekijk alle Blogs