Helen Franke is gek op muziek en werkt graag met kinderen. Dus kreeg ze een idee. Wat nu als ze kinderopvanglocaties zou vragen of ze interesse hadden in muziekles? Dat is inmiddels zo’n acht jaar geleden, en ze geeft de lessen nog altijd met veel plezier.
Helen is niet alleen muziekjuf, ze is zelf ook pedagogisch professional. Bij kinderopvang Kober in Breda. Haar muzieklessen geeft ze op verschillende locaties, momenteel vooral bij kinderopvang Altijd Lente.
Vertel eens, hoe is dit allemaal begonnen?
Helen: ‘Ik heb ooit de stoute schoenen aangetrokken. Mijn man heeft een bedrijf in muziektherapie, dus onder die naam had ik de mogelijkheid om muzieklessen aan te bieden. Ik belde kinderopvangorganisaties gewoon zelf op: ik geef muziek, hebben jullie interesse in een proefles? Sommigen zeiden nee, anderen zeiden ja. Zo ben ik erin gerold.’
Wat voor opleiding had je gedaan?
‘Ik heb er twee gevolgd: de pabo en een kleinkunstopleiding. Na de pabo stond ik een jaar voor de klas, maar ik wilde heel graag zangeres worden in musicals. Daar heb ik veel audities voor gedaan, alleen werd ik vaak afgewezen. Pas toen kleinkunst op mijn pad kwam, werd ik toegelaten. Ik had destijds nog geen idee dat ik muziek met de kinderopvang ging combineren, dat kwam pas later.’
Hoe werkt dat precies, een muziekles voor kleine kinderen?
‘Ik vraag altijd eerst aan de organisatie of ze met thema’s werken. Daar zoek ik liedjes bij. Maar ik begin altijd met een vast openingslied. Daarbij kijk ik elk kind even aan, zodat ze zich allemaal gezien voelen. Vervolgens wissel ik af: themaliedjes, verhalende liedjes, instrumentale liedjes, gebarenliedjes, beweegliedjes. De peuters geef ik iets zodat ze kunnen meedoen, zoals een schud-ei. Peuters kun je natuurlijk net iets meer uitdagen. Ik zing bijvoorbeeld een lied en vraag waar het over gaat. Daarna laat ik ze er plaatjes bij zoeken. Als ik wil checken of ze het echt snappen, laat ik soms een woordje weg. En ik bouw ook weleens iets speciaals in, een parachute met bloemblaadjes bijvoorbeeld, met een lied erbij. Ik bouw af met rustigere liedjes en dan heb ik weer een vast eindlied. Bij peuters duurt zo’n les een halfuur, bij baby’s een kwartier en bij een verticale groep zo’n twintig minuten – afhankelijk van de spanningsboog van de groep.’
En hoe ziet zo’n les eruit bij baby’s?
‘Voor baby’s gebruik ik het boek Muziek tussen schoot en school van Marijke Albers en Rita Rikhof. Daar staan allemaal wiegeliedjes in. En bekende, oudere liedjes die de pedagogisch professionals makkelijk kunnen meezingen. Soms schrijf ik zelf liedjes voor ze. De baby’s liggen op hun buik, en ik zit ertussenin. Sommigen zijn nieuwsgierig: o, wat is dat? Anderen vinden het spannend en gaan huilen. Dan houden de professionals ze vast. Ik heb een vrij rustige stem, dus daar worden zij uiteindelijk ook wel rustig van. Bij dreumesen gebruik ik vaak materiaal, zoals een stapsteen. Daar kun je weer veel liedjes omheen bedenken, zoals ‘hoedje van papier’ en ‘feest in de keuken’. En dreumesen vinden het heerlijk om liggend te fietsen met hun benen.’
Bespeel je zelf een instrument?
‘Ja, ik speel vooral ukelele voor de kinderen. Maar zingen is eigenlijk mijn vak, dus dat doe ik ook veel. Soms pak ik er een trommel bij. Dan noem ik de naam van een kind en geef de trommel door, en dan neem ik zelf mijn ukelele. Als ze het liedje vaker hebben gehoord, gaan oudere kinderen vaak meezingen. Bij jongere kinderen gebeurt dat niet zo snel. Maar dat hoeft ook niet. Als ze ouder zijn, wordt liedjes uit het hoofd leren pas echt een doel.’
Zingen de professionals altijd mee?
‘Volwassenen vinden het vaak spannend om te zingen. Er hangt een bepaald stigma omheen. Ik probeer ze zeker mee te krijgen. Meestal is er al snel één professional die enthousiast meedoet, en dan volgt de rest uiteindelijk ook. Volwassenen vinden het eigenlijk nog spannender dan kinderen. Ze hebben het gevoel dat de lat hoog ligt: als je gaat zingen, moet je er goed in zijn. Kinderen hebben daar geen last van, die doen gewoon hun ding.’
Wat vind je het mooist om te zien gebeuren?
‘Oei, lastige vraag. Wat ik in elk geval mooi vind, is als twee peuters elkaars hand vasthouden en samen rondjes gaan draaien. Dan zie ik dat ze echt contact maken met elkaar. Een peuter is meestal nog best op zichzelf gericht, dus als dat ineens gebeurt, gaat er een soort wereld open. Ze worden er zelf ook enthousiast van. Ze horen de muziek en willen dansen, ze willen samen bewegen.’
Heb je de houding van een kind weleens zien veranderen na meerdere lessen?
‘Er was een keer een jongetje dat heel afwachtend bleef in het begin. Hij keek vooral wat er om hem heen gebeurde. Maar na een tijdje durfde hij zelf muziek te maken, en dat niet alleen, hij kwam ook voor zichzelf op. Op een dag was hij jarig en hij zei: ik ben jarig, en daar hoort feest en muziek bij. Dat vond ik mooi.’
Waar worden kinderen het vrolijkst van?
‘Van de emmers en stokjes. Dat werkt zo. Eerst doen we de stokjes in de emmers, alsof we een soepje maken. Dan eten we het soepje op. Daarna draaien we het emmertje om en is het ineens een trommel. We houden het voor onze buik en spelen er een liedje mee. Uiteindelijk zetten we de emmer op ons hoofd. Het is de creativiteit met materialen waar ze enthousiast van worden. Ik denk dat jonge kinderen dit soort wezenlijke ervaringen echt nodig hebben. Wij Nederlanders zijn het natuurlijk gewend om met ons hoofd te denken, maar je lijf weet ook heel veel. Daarom zijn ervaringen waarbij het lichaamsbewustzijn wordt aangesproken zo belangrijk. Zoals dieren naspelen: laat de kinderen door de ruimte kruipen als een olifant en geef ze iets te drinken.’
Je werkt zelf ook als pedagogisch professional. Brengt dat iets extra’s?
‘Ik weet natuurlijk hoe ik met kinderen moet omgaan. Maar het kan ook een valkuil zijn. Als muziekjuf moet ik me met de muziek bezighouden, niet met de groep. Dat heb ik wel moeten leren, om dat goed te begrenzen.’
Wat zou je advies zijn voor professionals die meer met muziek willen doen?
‘Je hoeft niet meteen een hele les op te zetten. Je kunt klein beginnen: zingen bij het voorlezen, kinderen laten tekenen terwijl ze naar muziek luisteren. Of maak een muziekhoekje. De lat hoeft niet hoog te liggen. Kinderen doen gewoon hun ding, en dat hoef je alleen te ondersteunen. Hopelijk houden ze die vrijheid om zomaar te zingen of te bewegen dan op latere leeftijd vast.’