Mariska Venema werkt onder begeleiding van Ora Oudgenoeg, Paul Leseman en Sui Lin Goei aan een promotieonderzoek met als doel om via exploratief spel de sensomotorische - en taalontwikkeling van 0 tot 2 jarigen te stimuleren. Het onderzoek maakt onderdeel uit van de Almeerse taalaanpak en wordt gefinancierd door de gemeente Almere.
Wat is de aanleiding voor het onderzoek?
‘Er is veel aandacht voor de taalontwikkeling van peuters, met name op VVE-groepen. Ook op de baby- en dreumesgroep zijn veel taalkansen te benutten. In de praktijk merk ik dat onderdelen van VVE-programma’s soms worden gebruikt op de groep bij baby’s en jonge dreumesen. De vraag is in hoeverre dit aanbod aansluit bij de leeftijd en de sensomotorische behoeften van deze zeer jonge kinderen. Baby’s en jonge dreumesen verkennen hun omgeving voortdurend via beweging, handelen en aandacht, bijvoorbeeld door te kijken, te grijpen of te manipuleren. Deze vormen van exploratie vormen een belangrijke basis voor zowel motorische als taalontwikkeling. Door op het juiste moment taal toe te voegen aan wat kinderen doen en onderzoeken, ontstaan betekenisvolle taalmomenten die aansluiten bij hun ervaring. Met dit onderzoek brengen we in kaart hoe pedagogisch professionals exploratie faciliteren en hoe zij taal toevoegen binnen exploratieve situaties, met als doel motorische en taalontwikkeling in samenhang te stimuleren, zowel in spel als in alledaagse routines zoals eet- en drinkmomenten en contactmomenten op de commode’.
Hoe ben je met de pedagogisch professionals aan het werk?
‘Uniek aan dit onderzoek is dat wordt gewerkt met een ontwerpcyclus. De eerste stap bestaat uit het verkrijgen van zicht op de handelingsmogelijkheden van materialen en objecten. Wat trekt bijvoorbeeld de aandacht van kinderen: een stapel bekers of foamblokken met verschillende structuren? Door zorgvuldig te observeren hoe kinderen met materialen omgaan, krijgen pedagogisch professionals meer inzicht in zowel de exploratie van het materiaal als in de motorische mogelijkheden van de kinderen. De observatiegegevens worden in een volgende bijeenkomst gezamenlijk besproken. Vervolgens experimenteren de pedagogisch professionals met vooraf samengestelde exploratiesets. De ervaringen uit de praktijk vormen input voor het ontwikkelen van een eigen ontwerp. Met een ontwerp bedoelen we een door de pedagogisch professional zelf bedachte activiteit, afgestemd op de kinderen in de eigen groep. Dit ontwerp wordt in de praktijk uitgeprobeerd en in een daaropvolgende bijeenkomst besproken, waarbij wordt gereflecteerd op mogelijke aanpassingen. De uiteindelijke ontworpen exploratieactiviteiten kunnen ook door andere professionals worden gebruikt ter inspiratie. Uitgangspunt is steeds dat het ontwerp aansluit bij de exploratiebehoeften van de kinderen, hun motorische mogelijkheden en hun spelfase’.
Hoe ver ben je met je onderzoek?
‘Alle onderzoeksgegevens zijn inmiddels verzameld. Het eerste artikel richt zich op de kennis van pedagogisch professionals over handelingsmogelijkheden van materialen (affordances), het begeleiden van exploratie en het stimuleren van taal tijdens exploratie. Het tweede artikel zoomt in op de wijze waarop pedagogisch professionals de exploratie van kinderen begeleiden. Daarbij staat onder meer de vraag centraal hoe materiaal wordt gepresenteerd en hoe de exploratie bewust wordt opgebouwd.
Uit de analyses blijkt dat voor zowel de duur van de exploratie als de complexiteit van exploratie het van belang is dat objecten worden aangeboden met oog voor hun handelingsmogelijkheden. Zo trekt bijvoorbeeld een bak met deksel, gecombineerd met een variatie aan losse objecten en open gepresenteerd materiaal, langdurig de aandacht van kinderen. Ze zullen er snel naar toe kruipen of lopen.
In het begeleiden van exploratie blijkt het voor professionals vaak lastig om een balans te vinden tussen ingrijpen en het ruimte geven aan de vrije exploratie van het kind, terwijl zij tegelijkertijd proberen aan te sluiten bij de motorische mogelijkheden en interesses van kinderen. In dit onderzoek is gewerkt met vaste exploratiesets. In de video-opnames is bijvoorbeeld te zien hoe een jongetje van ruim één jaar gedurende vijftien minuten intensief speelt met een bakje en een balletje. Hij plaatst het balletje in het bakje en ontdekt dat balletje erin gaat rollen. Hij herhaalt de handeling en het balletje blijft rondjes draaien. Wanneer hij te snel draait, vliegt het balletje uit het bakje. Dit vraagt om nauwkeurige afstemming van bewegingen en laat een hoge mate van complexiteit in het handelen zien. Prachtig om te observeren.’
Wat staat er verder nog op de planning?
‘Het derde onderzoek richt zich op het ontwerpen van exploratieactiviteiten met behulp van de ontwerpaanpak Lesson Study. Deze ontwerpcyclus, die in het onderwijs veel wordt toegepast, is binnen dit onderzoek aangepast aan de context van de kinderopvang. Samen met het onderzoeksteam wil ik dit graag verder uitwerken naar een praktische handleiding voor pedagogisch coaches. Ik sluit het onderzoek af met onderzoek naar de effecten de ontworpen exploratieactiviteiten hebben op de motorische ontwikkeling en exploratiegedrag van kinderen. Samen laten deze artikelen zien hoe een ontwerpgerichte professionaliseringsaanpak kan bijdragen aan zowel de pedagogische praktijk als de ontwikkeling van jonge kinderen’.
Als je met een toverstafje morgen één ding in de kinderopvang veranderd kon hebben, wat zou het dan zijn?
‘Het is van belang dat pedagogisch professionals overdag, samen met hun pedagogisch coach, de tijd hebben om bewust na te denken over een beredeneerd aanbod als het gaat om exploratie voor de allerkleinsten. Dit betekent dat zij samen expliciet stilstaan bij de vraag: waarom bieden we op dit moment, op deze manier, deze objecten aan deze kinderen aan?'.
Welke tip zou je aan pedagogisch professionals willen meegeven?
‘Houd rekening met een aantal factoren: de motorische mogelijkheden en interesses van de kinderen én de handelingsmogelijkheden van de materialen die je tot je beschikking hebt. Door bewust materialen te kiezen, sluit je beter aan bij de ontwikkeling van kinderen. Denk daarbij ook vooraf na over de manier waarop je het materiaal presenteert.
Kinderen die net kunnen lopen zijn bijvoorbeeld vaak gefascineerd door het verplaatsen en verslepen van materialen. Zorg in dat geval voor manden/bakken/duwkarren waar kinderen materialen in en uit kunnen halen, en die zij naar verschillende plekken in de ruimte kunnen verplaatsen. Het hoeft daarbij niet altijd ingewikkeld te zijn.
Tijdens de Week van het Jonge Kind in Almere ben ik langs verschillende locaties gegaan met een spelset bestaande uit emmers in verschillende vormen en formaten en diverse ballen. Een aantal emmers had een gat in de bodem: een onverwachte en verrassende handelingsmogelijkheid die kinderen nieuwsgierig maakte. Dit zijn ogenschijnlijk eenvoudige materialen, maar ze bieden een schat aan handelingsmogelijkheden en nodigen uit tot rijke exploratie’.